Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791)

– Strijkkwartet in D KV 155

In november1772 reisden vader en zoon Mozart voor de derde maal naar Italië. Tijdens een gedwongen oponthoud vanwege noodweer in Bolzano begon Mozart – om de tijd te verdrijven! – aan het componeren van een strijkkwartet. Tegen de tijd dat de postkoets Verona had bereikt, had de zelfverzekerde jonge vakman het driedelige strijkkwartet gereed. In Milaan ontstonden tijdens de moeizame voorbereidingen en de 26(!) succesvolle uitvoeringen van Mozarts nieuwe opera ‘Lucia Silla’ op die terloopse wijze nog enkele kwartetten (tezamen de ‘6 Milaneze Strijkkwartetten’, KV 155/160).

Het opgeruimde Allegro, waarmee het kwartet in D opent, is in sonatevorm geconcipieerd. Het opgewekte hoofdthema, bestaande uit meerdere strofen, wordt gesecondeerd door een meer ingetogen neventhema met koddige na-aperijen. De doorwerking heeft fugatische trekjes. Het gracieuze Andante, afwisselend in majeur en in mineur, is – als zo vaak bij Mozart – eigenlijk een aria zonder zang. Het kwartetje besluit met een flitsend Molto Allegro in rondovorm.

Klarinetkwintet in A KV 581

De twee klarinetlessenaars in het hoforkest van keizer Joseph II werden sinds 1781 bezet door de gebroeders Johann en Anton Stadler. Beiden waren virtuozen op het nog niet zo lang daarvoor in zwang geraakte blaasinstrument. Johann is in de vergetelheid geraakt, maar Anton (1753 – 1812) niet, want Anton was een goede (loge)vriend van Wolfgang Amadeus Mozart. Samen vervulden zij een belangrijke rol in de ontwikkeling van deze tot dan toe obscure houtblazer tot een volwaardig orkest- en solo-instrument. Mozart zorgde voor de noten, Stadler experimenteerde met de fysiologie van het instrument. Vooral in de diepte breidde hij door veranderingen van de boring, het aantal openingen en de blaastechniek de reikwijdte uit. De bassethoorn, een in F gestemde variant van de reguliere – in Bes gestemde – klarinet met een donkerder en meer omfloerste toon, is diens meest bekende uitvinding. Veel vrijmetselarij muziek van Mozart is specifiek voor broeder Anton en diens bassethoorn gecomponeerd. Ook in de grote opera’s (o.a. in ‘La clemenza di Tito’) komen (obligate) klarinetpartijen voor die oorspronkelijk zijn geschreven voor Stadler en zijn bassethoorn. Naast de bassethoorn creëerde Stadler ook een basklarinet (in Bes, maar een vol octaaf lager dan de gewone klarinet) en een in A gestemde bassetklarinet. Dit laatste instrument is van belang in het kader van ‘des Stadler Quintett’ uit 1789, dat vanavond wordt gespeeld. Hoewel het oorspronkelijke manuscript verloren is gegaan, is uit onderzoek komen vast te staan dat Mozart dit aan zijn vriend opgedragen kwintet voor deze bassetklarinet moet hebben gecomponeerd. Vermoed wordt dat Anton Stadler, die net als Mozart een gat in zijn hand had, het in zijn bezit zijnde authentieke manuscript inclusief zijn (basset)klarinet op een financieel precair moment heeft verpatst. De nadien gevolgde publicaties van KV 581zijn dus niet gebaseerd op de autograaf, maar op een door derde aangepaste versie voor de reguliere klarinet. Hetzelfde verhaal is van toepassing op het superieure klarinetconcert in A, KV 622, dat Mozart enkele weken voor zijn dood voltooide.

Het eerste deel, Allegro, van het klarinetkwintet in A KV 581 is gegoten in de klassieke sonatestructuur. In de expositie kan de luisteraar twee themagroepen onderscheiden. De eerste groep bestaat uit een rustig vloeiende melodie, die door een arpeggio van de klarinet wordt afgesloten en vervolgens in iets gewijzigde vorm wordt herhaald. De klarinet zet het muzikale betoog legato voort. Ook de strijkers, beginnend met de cello, spelen in dit uiterst evenwichtige discours hun (solo)rol. Na een korte cesuur wordt de tweede themagroep ingezet door de viool. De melancholieke melodie wordt overgenomen door de klarinet, daarbij begeleid door pizzicati van de strijkers. Een stroomversnelling en prima donna-achtige coloraturen van de klarinet luiden de afsluiting van de expositie in. Hebt u iets gemist? Geen nood. De expositie wordt letterlijk herhaald. Dan volgt de doorwerking. De stemming slaat om naar mineur. Mozart creëert een prachtige afwisseling van melodische frasering en speelse arpeggiomozaïeken. De reprise is een luchtig geornamenteerde variant op de expositie. Schumann zou het tweede deel, Larghetto, de titel ‘Träumerei’ hebben meegegeven. Dromerig mijmert de klarinet, terwijl de gedempte strijkers een bescheiden begeleidingsrol vervullen. Klarinet en (eerste) viool zetten het gemijmer ‘en duo’ voort. Na een korte cadens van de klarinet tegen een ijle achtergrond van de violen hervat Mozart zijn exquise ‘Träumerei’. Het kordate Menuetto heeft twee trio’s. Het eerste, wat onbestemde trio is aan de strijkers voorbehouden. In het tweede trio – een gracieuze Ländler – dartelt de klarinet, geïmiteerd door de strijkers, en trekt met enkele virtuoze loopjes flink de aandacht. Het slotdeel, Allegretto con variazione, bestaat uit – zoals de titel aangeeft – een vrolijk thema met vijf variaties en een coda. Alleen de derde variatie voor solo altviool staat in mineur.

Strijkkwintet in Es KV 614

Mozart schreef zijn zes strijkkwintetten voor de bezetting van twee violen, twee altviolen en een cello. Hij had kennelijk een zwak voor de altviool. De sublieme kwintetten KV 515 en 516 componeerde hij in 1787 met als oogmerk een wit voetje te halen bij koning Friedrich van Pruisen. Die vlieger ging helaas niet op. Teleurgesteld keerde hij uit Berlijn terug. In zijn twee laatste levensjaren (1790 en 1791) ontstonden nog twee van dergelijke strijkkwintetten: KV 593 in D en KV 614 in Es. Het laatste kwintet heeft hij – opbrengst gegarandeerd -geschreven voor een Hongaarse opdrachtgever. Mogelijk was deze Hongaarse ‘vriend van de muziek’ de lakenkoopman Johann Tost, een goede bekende van Joseph Haydn. Deze Tost diende jaren tevoren als aanvoerder van de tweede violisten in het hoforkest van Nikolaus von Esterházy, terzelfder tijd dat Haydn aldaar kapelmeester was. De schrandere Tost heeft vermoedelijk een rijke vrouw getrouwd, want hij was inmiddels een gefortuneerd mens. Hij kon het zich zelfs permitteren om aan componisten als Haydn en Mozart opdrachten te verlenen.

Het strijkkwintet opent met een monter Allegro di molto. Er zitten, net als in de andere delen, veel solistische elementen in de deze sprankelende muziek. Het lijkt wel of een groep verschillend gepluimde vogels een flitsend discours met elkaar voeren. Het zangerige Andante klinkt ook als een soort gesprek, maar nu in bedachtzamer tempo. De melodie is simpel, de figuraties van de onderscheiden stemmen zijn speels en lieflijk. Het Menuetto (Allegretto) is een voortzetting van het openingsdeel. Misschien iets markanter en iets minder flitsend, maar zonder twijfel uit hetzelfde muzikale hout gesneden. Het zalig wiegende trio is een lust voor het oor. In de concertante finale, Allegro, wedijveren de strijkers ieder om de hegemonie. Er passeert een fuga, een mars en tot slot een uitbundige coda. Hoe is het mogelijk dat een mens zulke onbekommerde muziek kon creëren slechts enkele maanden voor zijn overlijden!

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl

adminProgrammatoelichting 2 november 2014