Ludwig van Beethoven (1770-1827) – Vioolsonate nr 3 in Es, opus 12/3

Ludwig van Beethoven trad begin 19e eeuw vrijwel naadloos in de voetsporen van Mozart. Zijn vioolsonates zijn niet langer salonwerken, geschreven voor optredens door amateurs en intimi tussen de schuifdeuren, maar volwaardige concertstukken, die door virtuozen in de openbaarheid ten gehore gebracht dien(d)en te worden. De tien vioolsonates van Ludwig van Beethoven ontstonden, met uitzondering van de laatste sonate uit 1812, alle in de eerste scheppingsperiode van de componist. De eerste bundel van drie vioolsonates dateert van 1797, dan volgen de nummers vier tot en met negen in de jaren 1800 tot en met 1803. Het zijn geen jeugdwerken, wel composities die met het ene been in de klassieke traditie van Mozart en Haydn staan en met het andere been in de romantiek van de 19e eeuw.

De eerste set van drie duo’s opus 12 droeg Van Beethoven op aan een van zijn leermeesters, de in zijn dagen hooggewaardeerde Koninklijke en Keizerlijke kapelmeester, de Italiaan Antonio Salieri. Het waarom van deze opdrachtverlening is niet bekend. Uit erkentelijkheid voor ’s mans wijze lessen is niet waarschijnlijk. Naar eigen zeggen heeft Van Beethoven van zijn leermeesters, onder wie ook Joseph Haydn en Johann Georg Albrechtsberger, “nie etwas gelernt”. Meer voor de hand ligt de gedachte dat de 27 jaar jonge componist de verkoopbaarheid van de bundel door de opdrachtverlening aan een zo hoog in aanzien staande componist heeft willen bevorderen. Hoewel de kritiek in de ‘Allgemeine Musikalische Zeitung’ aanvankelijk niet mals was, hebben de driedelige sonates opus 12 het bij het ontwikkelde publiek van meet af aan goed gedaan. Er zijn talloze bewerkingen voor allerlei combinaties van instrumenten van gemaakt.

Van Beethoven was een formidabele pianist, en dat laat hij met name in de pianistisch briljante derde sonate uit het opus 12 horen. In het openingsdeel, Allegro con spirito, maakt de pianist in het pedante hoofdthema de dienst uit en is voor de viool een wat ondankbare tweede stem weggelegd. Het zangerige neventhema is meer aan de viool besteed, zodat de wedijver tussen de solisten toch in evenwicht blijft. In het tweede deel, Adagio con molt’espressione, verwisselen de solisten – net als in het Andante uit de tweede sonate – de melodische (hoofd)rol en de versierende (bij)rol. In een rustig tempo mijmert de componist over… ach, over wat? Laat uw eigen gedachten de vrije loop bij het beluisteren van deze hoogst poëtische muziek. Met een uitgelaten Rondo: Allegro molto sluit de sonate in stijl af. Echt muziek waar je blij van wordt!

Sergey Prokofiev (1891-1953) – Vioolsonate nr. 1 in f, opus 80

Prokofiev had in de oorlogsjaren kennisgemaakt met een jonge, briljante violist, David Oistrakh genaamd. Bij de transcriptie van de Fluitsonate tot de Vioolsonate nr. 2 had de violist de componist een handje geholpen. Waarschijnlijk zette Oistrakh de componist ertoe aan om in 1946 het tot dan toe onvoltooid gebleven opus 80 weer eens ter hand te nemen. De lange ontwikkelingstijd (de eerste noten stonden al in 1938 op papier) is er wellicht debet aan dat deze sonate een compositie met Beethoviaanse diepgang is geworden. Intellectueel, doorwrocht en beladen zijn de juiste adjectieven voor dit sombere meesterwerk. Qua emotionele intensiteit kent het stuk zijn weerga niet in het oeuvre van Prokofiev. Enige jaren later zou Oistrakh het eerste en derde deel van de sonate spelen op de begrafenis van de componist.

Het werk heeft vier delen. Andante assai is een in zichzelf gekeerde inleiding op wat komen gaat, waarbij majeur en mineur elkaar op geraffineerde wijze afwisselen. De viool beantwoordt de statements van de piano met een soort koude rillingen van de wind op een begraafplaats. In de pianopartij is het gebeier van een doodsklok te herkennen.

Het tweede deel, Allegro brusco, is gestructureerd in sonatevorm. Het hoofdthema, een quasi primitief gehamer, wordt gecontrasteerd door een lyrisch tweede thema. Veel speelruimte wordt dit zangerige thema niet geboden, omdat het voortdurend door het donderend geweld van het eerste thema wordt weggetimmerd. Echt een stuk muziek om de adem bij in te houden. Het derde deel, Andante, is overwegend mysterieus van stemming. Let op hoe de violist vanuit de laagste regionen opklimt naar hogere sferen, terwijl de piano begeleidt in ijle pianissimi. Het slotdeel, Allegrissimo, is gecomponeerd in rondovorm. Nu is Prokofiev, in de rol van satiricus, aan het woord. De solisten krijgen ruim de gelegenheid hun technische gaven te etaleren. Een spectaculair besluit, dat overigens als een nachtkaars uitgaat!

Richard Strauss (1864 – 1949 – Vioolsonate in Es, opus 18

De eerste maten van de vioolsonate in Es van Richard Strauss (geen familie van de Weense- walsen-componisten) zouden iedere muziekkenner, gesteld voor de vraag, wie dit heeft geschreven, onmiddellijk aan Robert Schumann of aan Johannes Brahms doen denken.  Bij verder luisteren wordt duidelijk dat hier een componist aan het woord is, die weliswaar stevig in de Duits Romantische stijl geworteld is, maar die in harmonische ontwikkeling  en muzikale structuur toch ietsje verder reik dan zijn illustere voorgangers. Toch zal de naam van Richard Strauss niet direct naar boven komen als de schepper van deze vioolsonate uit 1887. Dat is begrijpelijk. Ten tijde van het componeren van de sonate bevond de ontwikkeling van Richard Strauss zich juist in een overgangsfase van epigonisme naar een eigen stijl. Dat wil zeggen: van de Hoogromantische jeugdwerken naar de Spätromantiek van de grote symfonische gedichten.

Het eerste deel, Allegro, ma non troppo, is gecomponeerd in een tamelijk vrije fantasiestructuur,  waarin de sonate-elementen niet gemakkelijk te herkennen zijn. Er zijn twee thema’s. Het eerste thema klinkt in de piano en direct daarna in de vioolpartij. Het is een ‘leidenschaftliche’ melodie met een sterke voorwaartse drang. Het lieflijke neventhema volgt direct daarop, eerst  in de piano, daarna in de vioolpartij.  In het vervolg lijkt de componist gelijk in de doorwerking terecht te komen. Aan ‘feest der herkenning’ is geen gebrek. De motieven waaruit de thema’s zijn samengesteld, worden in allerlei gedaantes  herhaald. Het middendeel, Improvisation. Andante cantabile, is als een ‘Lied ohne Worte´. De muziek is een tikje aan de sentimentele kant. Triviale loopjes in het filigrein van de piano en zoetige zuchtjes van de piano neigen naar salonmuziek. Oppervlakkige ‘spielfreude’ maakt in de Finale. Andante – Allegro’ plaats voor Schumaneske ‘Aufregung’. De langzame inleiding doet al vermoeden, dat de componist op weg is naar een  volbloed sonatedeel met alle hartstocht de romantici eigen. Dat klopt. Na enkele mate van bedachtzame overpeinzingen besluit de componist tot een krachtig opwaarts statement. Later volgt een tweede melodie vol vurige hunkering  en passie. Dat zijn de hoofdingrediënten van de finale van deze fraaie juvenale sonate.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgramma toelichting 5 oktober 2014