Joseph Haydn (1732-1809) – Strijkkwartet in G, opus 77/1

In 1799 ontving Joseph Haydn van de Oostenrijkse edelman Joseph Franz Max Lobkowitz het verzoek om voor de zoveelste keer een bundel strijkkwartetten te componeren. Deze steenrijke opdrachtgever beschikte over een prachtig paleis in hartje Wenen, alwaar zijn privé orkest met regelmaat premières gaf van werken van vooraanstaande componisten (later bijvoorbeeld de ‘Eroica’ van Van Beethoven). Zelf was de mecenas een uitmuntende violist. Misschien wilde de vorst vanaf de eerste lessenaar zijn entourage met deze nieuwe strijkkwartetten verrassen. Of dat werkelijk zo is, vertelt de historie niet. Helaas, papa Haydn was in die dagen te zeer beschäftigt met de creatie van zijn grote oratoria ‘Die Schöpfung’ en ‘Die Jahreszeiten’ om voor de eervolle opdracht warm te lopen. Eigenlijk had hij voor kwartetten überhaupt geen tijd. Dat edele handwerk liet de 68-jarige liever over aan zijn leerling, Ludwig van Beethoven. Deze jonge hemelbestormer lanceerde in hetzelfde jaar zijn eerste drie kwartetten (opus 18). Eerlijk gezegd beschikte de oude baas ook niet meer over de energie om even tussen de bedrijven door andermaal een hele set van zes stukken te schrijven. Met pijn en moeite werden het er uiteindelijk slechts twee – de zgn. ‘Lobkowitz-kwartetten’- die in 1802 bij Artaria als opus 77 werden gepubliceerd. Het zouden Haydns laatste voltooide kwartetten zijn. Een derde kwartet – opus 103 – bleef een ‘Unvollendete’.

Het openingsdeel van het eerste kwartet van opus 77, Allegro moderato, heeft van begin tot eind het karakter van een goed geluimde mars. Opgewekt gaat – bij wijze van spreken – het ensemble aan de wandel. Het zangerige neventhema voegt zich naadloos in dit genoeglijke uitstapje. Ieder van de kwartetleden doet van tijd tot tijd een extra stapje voorwaarts. De doorwerking wordt ingeleid door een generaal unisono. Haydn speelt vervolgens met de motiefjes dat het een lieve lust is. De reprise is beslist geen letterlijke herhaling van de expositie. Het plechtstatige thema van het Adagio wordt aanvankelijk eenstemmig gespeeld. In het vervolg klautert de primarius boven de andere partijen uit. De bijzonder hoge ligging van de vioolpartij(en) is in dit deel trouwens opvallend. Ernstige stiltes markeren de muzikale frasen. Het kordate Menuet. Presto is eigenlijk een scherzo, zoals Van Beethoven dat zou gaan schrijven. Zou de leerling zijn meester hebben beïnvloed? Best mogelijk! Voor het pittige trio grijpt Haydn, zoals zo vaak in zijn kwartetten, terug op een volksdansachtig melodietje. Het thema van de Finale. Presto is opgebouwd uit een reeks kleine motieven, die Haydn in de doorwerking en in de reprise afzonderlijk verwerkt. Het wervelt en kwettert allemaal pijlsnel aan de luisteraar voorbij.

Camille Saint-Saëns (1835-1921) – Strijkkwartet nr. 2 in G, opus 153

Voor Camille Saint-Saëns was het componeren van muziek even vanzelfsprekend als het groeien van appels aan een appelboom. Geen wonder, want Camille, als kind al een wonder, was een buitengewoon begaafd mens. Misschien wel de componist met het hoogste IQ uit de hele muziekgeschiedenis. Toch werd hij (en zijn muziek) niet door iedereen evenzeer geapprecieerd. Volgens zijn collega-componist Eduard Lalo leek Saint-Saëns sprekend op een papegaai: hetzelfde scherp gesneden profiel, een snavelachtige haakneus, rusteloos, doordringende ogen, altijd heen-en-weer trippelend en doorlopend geaffecteerd kakelend. Zijn muziekstijl was eclectisch, dat wil zeggen van alles wat; nooit specifiek Saint-Saëns, zoals dat wel gezegd kan worden van de muziek van bijvoorbeeld Bach, Mozart, Van Beethoven of Debussy. Als je een compositie met een Franse inslag hoort en je kunt het zo één, twee, drie niet thuisbrengen, denk dan aan Saint-Saëns. Goede kans dat het raak is.

De Fransman was al 64 jaar toen hij in 1899 zijn eersteling in het genre strijkkwartet creëerde. In 1918 – inmiddels 84 jaar oud – produceerde Saint-Saëns, horendoof voor alle muzikale nieuwlichterijen, nog zo’n heerlijk romantisch werk, ditmaal een kwartet in G majeur. Oude mannenmuziek van een tachtigplusser? ‘Pas du tout!’ De neoklassieke muziek is zo fris als een hoentje! Dit kwartet is beslist niet zwaar op de hand. Integendeel, luister hoe zonnig de fanfare klinkt waarmee het Allegro animato opent. Het optimistische hoofdthema, krachtig ondersteund door een telkens herhaald hoera hoera-motief, dooradert het lichtvoetige discours. Het tweede deel, Molto adagio, omschreef Saint-Saëns met de nodige zelfspot als ‘dodelijk saai’, en het verlies van de jeugd als ‘het droevigste van alles’. Denk niet dat deze componist ooit het achterste van de tong liet zien. Daar was hij de man niet naar. Dus, neem de opmerkingen met een korreltje zout. Aan de Finale. Allegro con moto gaat zonder onderbreking een Andantino vooraf. De bejaarde componist moet aan het componeren van het slotdeel vast plezier beleefd hebben, want hij verwerkt allerlei frivoliteiten en klassieke kunststukjes als fugaatjes e.d. in de noten.

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) – Strijkkwintet nr. 1 in A, opus 18

Felix Mendelssohn-Bartholdy componeerde twee strijkkwintetten. In navolging van Mozart en van Van Beethoven vergrootte hij het strijkkwartet in plaats van met een cello met een tweede altviool. De klank is daardoor iets minder donker en herfstig dan in een kwintet met dubbele cellobezetting, zoals dat van bijvoorbeeld Schubert. Het eerste strijkkwintet ontstond in het voorjaar van 1826, vlak na voltooiing van het wonderschone strijkoctet, opus 20. Eigenlijk kun je bij Mendelssohn niet van jeugdwerken spreken. De jongen was zo vroeg rijp en zo fabelachtig begaafd. Vóór z’n vijftiende had hij al een hele reeks symfonieën en diverse opera’s gecomponeerd.

Het kwintet in A is in de oorspronkelijke vorm bij leven van de componist nooit officieel uitgegeven. De compositie kreeg pas in 1832 het opusnummer 18, doch niet nadat door Mendelssohn enkele ingrijpende wijzigingen in het manuscript waren aangebracht. Aanleiding daartoe was het bericht van het onverwachte overlijden van zijn toegewijde leermeester en vriend Eduard Rietz. Mendelssohn verving het Menuet en Trio door een Intermezzo, getiteld ‘Nachruf’ (in memoriam). Dit aangrijpende Andante sostenuto werd in de vernieuwde versie het tweede deel, waardoor het originele Scherzo deel drie werd.

Het lieflijke hoofdthema van het openingsdeel, Allegro con moto, wordt na de expositie speels geïmiteerd door de cello, begeleid door lange streken van de altviolen. Het neventhema is slechts een bescheiden rol toebedeeld. Het Intermezzo is dus een lamento, een innige klaagzang ter herinnering aan de geliefde Eduard (geen familie van Ferdinand Rietz, de amanuensis van Ludwig van Beethoven). Het lichtvoetige Scherzo is typisch Mendelssohn, feeëriek en fugatisch. De finale, Allegro vivace, is een rondo (coupletten en refrein) in vrije vorm. Lyrische passages worden afgewisseld door het springerige refrein. Muziek waar je blij van wordt!

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

 

adminProgrammatoelichting 12 april 2015