Programmatoelichting 12 februari 2017

Trumpet Voluntary

Gioachino Rossini (1792-1868) – Sonata a quattro nr. 1 in G en nr. 3 in C

In 1804 componeerde de twaalfjarige Rossini in slechts drie dagen tijds zes hoogst originele kwartetten voor de merkwaardige bezetting van twee violen, cello en contrabas. Hij verbleef in die dagen in Ravenna. De gastheer, Agostino Triossi, landgoedeigenaar en mecenas van Rossini, speelde contrabas, zijn neven viool en cello en Rossini de tweede viool. De eerste uitvoering door dit muzikale samenraapsel beschreef de componist weinig vleiend als ‘cagnescamente’ (hondachtig). “Mijn God, en dan te bedenken dat ikzelf nog de minst hondachtige was!”
Lang is gedacht dat de zes sonates waren vernietigd, totdat de bundel kort na de WO II in de Library of Congress in Washington werd gevonden. Hoe de sonates daar zijn terechtgekomen vertelt het verhaal niet. Wel werd duidelijk dat de allang bekende strijk- en blaaskwartetten van Rossini bewerkingen waren van deze verloren gewaande zes jeugdige Rossiniani.
Het zijn buitengewoon diverterende stukken. Luister naar de eerste sonate in G. De levenslust spettert er gelijk in het openingsdeel, Moderato, vanaf. De contrabas sluit de expositie van de beide thema’s af. Er volgt een korte episode in mineur. Aan de inzet van de violen herkent de toehoorder dadelijk de reprise van deze verrukkelijke muzikale spielerei. Heel relaxed sluit het Andantino aan, wederom met een quasi zeurpieterige (bij)rol voor de contrabas.
De spirit van de finale, Allegro, is als een schuimende Spumante. Met een muzikale knipoog van contrabas en cello!
De derde sonate in C opent met een kordaat Allegro. Het tegenthema is een zangerige melodie, zoetgevooisd gestreken door de hoge stemmen. De cello en de contrabas leveren hun blijmoedige commentaar. De stemming van het Andante is naar Rossiaanse maatstaven behoorlijk ernstig. Dat de jonge Rossini echt geen tobber was blijkt uit het slotdeel, Moderato. Er zit weer een prachtige solo voor de contrabas en de cello in.

Camille Saint-Saëns (1835-1921) – Septet, opus 65

In 1860 stichtte een groepje amateur musici een kamermuziekensemble, dat zij  ‘La Trompette’ noemde. Geleidelijk groeide in Parijs het aanzien van dit gezelschap. Een inmiddels vermaard componist als Camille Saint-Saëns kon in 1881 worden gestrikt om een voor het ensemble een stuk te schrijven. Bij voorkeur iets met strijkers, piano en vanwege de naam…een trompet. CSS vond het een leuke uitdaging om voor zo’n aparte combinatie een goede toonbalans te vinden. Hij bedacht een vierdelig sextet in de archaïsche vorm van een (neo)barokke suite.
De suite begint met een plechtstatige Préambule: Allegro moderato. De trompet blaast zijn eigen fanfare, de piano speelt laddertjes. A la de Bach suites volgt een contrasterend middendeel. De ouverture besluit in het temp van de opening. Na deze inleiding vervolgt de componist zijn suite met een ietwat martiaal Menuet: Tempo di minuetto moderato. De strijkers zuchten en zuchten. Kan het misschien iets fijnzinniger mijnheer de trompet? In samenspraak met de piano lukt dat. In de Intermède: Andante gelukt het componist het best strijkkwintet, piano en trompet kamermuzikaal met elkaar te musiceren.De contrabas laat zichzelf ook even solistisch horen. Het verrukkelijke slotdeel is een Gavotte. Een fuga sluit de muziek in stijl af.

Antonín Dvořák (1841-1904) – Pianokwintet in A opus 81

In de jaren 1886/7 nam Dvořák de tijd om vroegere composities onder handen te nemen. Zo ook het eerste pianokwintet in As opus 5 uit 1872. Kennelijk voldeed – ook na de nodige revisies – de eersteling niet aan de kwaliteitseisen die de ervaren componist zich stelde. Hij besloot gewoon een nieuw pianokwintet in dezelfde toonsoort te schrijven. In de maanden augustus en september, genietend van de natuur en de rust van zijn buitenhuisje in Vysoká, werkte de gelouterde componist aan het nieuwe kwintet. Het zou een van zijn meest geliefde werken worden: een pianokwintet dat in één adem genoemd kan worden met soortgelijke composities van Robert Schumann en Johannes Brahms.
Geen wonder, want alle populaire kruiderijen uit de Dvořák-keuken werden door de componist rijkelijk aan de compositie toegevoegd: een weelderige stroom van goed in het gehoor liggende melodieën, vitale ritmen, fijnzinnige schakeringen in de wisselende stemmingen, briljante klankeffecten en – met name in de middendelen – typisch Boheems, folkloristisch getint koloriet. De eerste uitvoering vond op 6 januari 1888 plaats in het Praagse Rudolfinum tijdens een concert georganiseerd door de Praagse artiestenvereniging ‘Umelecká beseda’.
Het valt in het rapsodische eerste deel, Allegro ma non tanto, niet mee hoofd- en neventhema’s te onderscheiden. Het lijkt wel of de componist een doorlopende voorstelling van het gelukzalige leven in de Boheemse natuur ten beste geeft, geschetst in melodieën, de ene nog inniger en meeslepender dan de andere. Het lyrische thema waarmee de cello het deel opent is de rode draad in de beweging, terwijl de energieke, ritmisch geprononceerde reactie en het lieflijke tweede thema de aanvullende muzikale bouwstenen vormen in een sonatedeel met een doorwerking na de volledige herhaling van de expositie en met een reprise. Piano en strijkkwartet mengen moeiteloos. Voorwaar geen geringe prestatie, want de combinatie klavier en strijkers is van nature weerbarstig. Deel twee, de oorspronkelijk uit de Oekraïne afkomstige Dumka, is een door Dvořák graag toegepaste compositievorm, waarin hij zachtmoedig tussen mineur en majeur mijmert en de tempi daarbij subtiel tussen andante en vivace afwisselt. In het Scherzo wervelt een furiant. Je ziet het tafereel voor je: dorpspleintje met herberg, een muziekbandje en een groep dartele dansers, de rokken van de dames hoog opbollend. Een lieflijk trio biedt de dansers de gelegenheid om elkaar even te knuffelen en te zoenen. Een aanstekelijke Finale Allegro besluit het werk in onbekommerde luim en tevredenheid. Dit is Dvořák, de bescheiden slagerszoon uit Nelahozeves, ten voeten uit!

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 12 februari 2017