Programmatoelichting 15 januari 2017

Een avondje uit !!!

Georg Frederick Handel (1685-1759) / Johan Halvorsen (1864-1935) – Passacaglia voor viool en cello

Johan Halvorsen, een Noorse violist en dirigent, schoonzoon van Edvard Grieg, ervoer het als een uitdaging om het nagenoeg onspeelbaar geachte zesde deel uit Handels zevende klavecimbelsuite te bewerken voor viool en altviool. Het is een passacaglia, een Zuid-Europese dans waarbij op een telkens weerkerend thema in de bas gevarieerd wordt. Halvorsen beperkte zich niet tot louter transcriberen. Hij ging vrij met het materiaal om en bedacht zelf twee derde van de noten. De altvioolpartij wordt in dit ‘avondje uit’ gespeeld door de cellist.

Wolfgang Amadeus Mozart – Vioolsonate in G, KV 379

Mozart schreef gedurende zijn leven meer dan 30 duo’s voor klavecimbel/pianoforte en viool. Als regel  in opdracht van de adel voor optredens, waarbij hijzelf de belangrijkste partij, die voor het toetsinstrument, voor zijn rekening nam. Dat was zijn vanzelfsprekende rol, want ‘Der Wolfgang’ werd in zijn tijd beschouwd als een van de grootste klaviervirtuozen.
Toch  was Mozart ook een uitstekend violist. Geen wonder, met een meesterviolist als vader! Volgens papa Leopold kon de jongen, wanneer hij ‘mit Figur, Herzhaftigkeit und Geist’ de viool speelde ‘der erste Geiger von Europa’ worden. Het is in dit licht niet verbazend, dat een zo veelzijdig muzikant als Mozart de ontwikkeling initieerde van een sonate voor klavecimbel met vioolbegeleiding in galante stijl naar een sonate voor viool én piano met een meer evenwichtige rolverdeling tussen beide instrumenten in een klassiek, haast vroeg romantisch jasje.
De sonate KV 379 uit 1781 is daar een klinkend voorbeeld van. Vermoedelijk is het werk in grote haast tot stand gekomen, de avond voorafgaand aan een bezoek van Aartsbisschop Colloredo van Salzburg  aan het Weense hof. Tijd om vóór die gelegenheid de pianopartij van dit uitzonderlijke tweedelige werk uit te schrijven had de componist niet. Het genie speelde de partij uit z’n hoofd! De sonate  begint met een langzame inleiding in G-groot, die zo ver uitgewerkt wordt, dat ’t lijkt alsof het werk in plaats van met het gebruikelijke Allegro met een Adagio aanvangt. Het is schijn, want  Mozart heeft een verrassing in petto. Op het moment dat het sonatedeel aan de reprise toe is, zet hij attacca (zonder onderbreking) alsnog een ‘Allegro’, nu in g-klein in.  Het tweede deel ‘Andante cantabile’ bestaat uit een thema, vijf variaties, een herhaling van het thema en een coda..

Moritz Moszkowski (1854-1925) – Suite voor 2 violen en piano, opus 71

De Poolse pianist/componist/leermeester Moritz Moszkowski werd geboren in een welvarende joodse familie in de toenmalige Oost-Pruisische stad Breslau, nu Wroclaw geheten, hoofdstad van Silezië. Na zijn leerjaren reisde Moszkowski als concertpianist vanuit Berlijn door heel Europa. Hij werd niet alleen bewonderd om zijn virtuoze pianospel, maar ook geëerd als componist van ‘salonfähige’ pianowerken. Overigens, u zult horen dat de Suite voor 2 violen en piano opus 71 – die Moszkowski omstreeks 1902/3 moet hebben geschreven – een aantrekkelijk, volbloed romantisch werk is in de geest van Mendelssohn en Schumann. In 1897, op het hoogtepunt van zijn roem, vestigde Moszkowski zich in Parijs. Daar gaf hij les aan latere beroemdheden als Josef Hofmann, Wanda Landowska en Thomas Beecham. Helaas is het nadien met de man bergafwaarts gegaan. In 1925 stierf hij, zonder ambities, berooid en vergeten.
Het dramatisch gestemde Allegro energico is een beladen openingsdeel, waarin de romantisch gestemde thema’s ‘aus einem Guß’ voortstromen. In het lieflijke Allegro moderato voeren de strijkers een duet op met de piano. Na een inleiding van de piano zingt het Lento assai een teder ‘Lied ohne Worte’. Dat Moszkowski van Poolse afkomst was, is duidelijk te horen in het slotdeel, Molto vivace.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) – Pianotrio in D, opus 70/1 ‘Geister’

Ludwig van Beethoven werd regelmatig door aantrekkelijke dames geïnspireerd om muziek te componeren. Helaas (?) waren zijn liefdesobjecten als regel van hogere stand en daardoor onbereikbaar voor de snel ontvlambare maestro. Zo ook de muzikaal begaafde gravin Anna Marie Erdödy, een gehuwde dame, die een vurig bewonderaarster was van zijn composities. Ten tijde van het ontstaan van de pianotrio’s opus 70 woonde hij zelfs een tijdje bij de familie Erdödy in hun stadspaleis. Tijdens de kerstdagen 1808 werd in dit stadspaleis door de violist Ignaz Schuppanzigh, de cellist Joseph Linke en met de componist aan de piano de première van beide pianotrio’s opus 70 gegeven. Het schijnt dat de soms vreselijk onbehouwen Van Beethoven ruzie kreeg met Marie. Aard en aanleiding vermeldt de historie niet. Ik vermoed dat het oorspronkelijk de bedoeling was dat mevrouw de pianopartij zelf zou uitvoeren. Die was haar echter te machtig. Van Beethoven zal niet genegen zijn geweest ter wille van haar vereenvoudigingen aan te brengen. Wel bestaat er bij uitzondering een vingerzetting van de hand van de componist. Even heeft de driftkikker overwogen ook de opdracht aan haar te schrappen en het opus 70 op te dragen aan aartsbisschop Rudolph, maar zo hoog is de ruzie uiteindelijk niet opgelopen. Ook nadat het gezin Erdödy Wenen had verlaten, zijn de componist en Anna Marie vriendschappelijk blijven corresponderen.
Een vier maten lang, superenergiek unisono in D groot opent het ‘Geistertrio’. Dit is de verklanking in een notendop van de krachtige, maar ook stuurse Van Beethoven. Het vervolg van het Allegro e con brio is een lyrisch thema, aanvankelijk alleen door cello en viool voorgedragen. De piano sluit naadloos aan. De componist etaleert vervolgens omstandig dat hij ook zachtmoedig van aard kan zijn. Vier identieke nootjes, pianissimo gespeeld, sluiten heel subtiel de expositie – die tweemaal wordt gespeeld – af. Dan volgt volgens de klassieke regels de doorwerking. Op zijn eigen karakteristieke wijze weeft Van Beethoven telkens het kordate beginmotief door het speelse filigraan van het lyrische thema. De recapitulatie vangt aan met een verkorte versie van het unisono uit de opening. De muziek krijgt haast een hymnische allure. Het lijkt wel of de componist in de laatste frasen van het openingsdeel de toehoorders duidelijk wil maken dat hij per saldo toch een drammer is. Het Largo assai ed espressivo is een ‘Notturno von geisterhafter Unwirklichkeit’. Omdat op een van de pagina’s van het manuscript het kopje ‘McBett’ ‘Ende’ is gevonden, is wel verondersteld dat de muziek mogelijkerwijs bedoeld is geweest voor het koor van de heksen uit een nooit tot stand gekomen opera ‘Macbeth’. In ieder geval is de sfeer van het ongewoon vale, duistere langzame deel zodanig spookachtig dat men met recht de bijnaam ‘Geister’ aan het trio heeft verbonden. Het krachtige slotdeel, Presto, heeft een monter hoofdthema en een luchtig neventhema.

 

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 15 januari 2017