Arcangelo Corelli (1653-1713) – Concerto grosso in g, op. 6 nr. 8 ‘Fatto per la notte di natale’

In de laatste twee decades van de 17e eeuw ontwikkelde Arcangelo Corelli een nieuw type concerto, het ‘concerto grosso’. Een reeks van in stemming en tempo afwisselende bewegingen wordt door een klein groepje solo-instrumenten (concertino) en het volledige ensemble (ripieno) uitgevoerd. Concertino en ripieno wedijveren (concertare) daarbij met elkaar om de boventoon te voeren. Hoewel de twaalf vermaarde concerti grossi, opus 6, pas in 1714 werden gepubliceerd, heeft Corelli de muziek waaruit deze concerti zijn samengesteld al veel eerder gecomponeerd. Jarenlang heeft hij eraan geschaafd en gepolijst. Helaas, uit de veelheid van concerti die hij ongetwijfeld in de loop der jaren heeft geschreven, zijn niet veel meer dan deze twaalf door Estienne Roger in Amsterdam uitgegeven pareltjes bewaard gebleven.
Het achtste concert uit het opus 6 is misschien wel het beroemdste concerto grosso aller tijden. In dit zesdelige werk – ‘Fatto per la notte di natale’ (gemaakt voor de kerstnacht) voert Corelli de toehoorders naar de arcadische entourage van herders en herderinnetjes. Dit klassieke kerstconcert is geschreven voor een concertino bestaande uit twee violen en een cello, en het ripieno bestaat uit een voltallig strijkorkest. Na de langzame inleiding, Grave, maakt de luisteraar direct kennis met wat het begrip ‘concertare’ bij uitstek inhoudt. Als in een draverij achtervolgen in het Allegro concertino en ripieno elkaar. De solisten laten elkaar en het tutti amper uitspelen. Het tweede Allegro is van hetzelfde slag. Om beurten pakken de rivaliserende partijen de kop. De inspiratie voor het slotdeel, Largo. Pastorale ad libitum, zou ontleend zijn aan het beroemde schilderij ‘Nativita’ van Botticelli. Op een tedere siciliano wiegeliedt het herdersvolkje bij het kindeke Jezus.

Wolfgang Amadeus Mozart – Sonate voor viool en piano in Bes KV 454

Mozart schreef gedurende zijn leven meer dan dertig duo’s voor klavecimbel/pianoforte en viool. Als regel in opdracht van de adel voor optredens, waarbij hijzelf vaak de belangrijkste partij, die voor het toetsinstrument, voor zijn rekening nam. Dat was vanzelfsprekend zijn rol, want ‘Der Wolfgang’ werd in zijn tijd beschouwd als een van de grootste klaviervirtuozen.

Toch was Mozart ook een uitstekend violist. Geen wonder, met een meesterviolist als vader!  Volgens papa Leopold kon de jongen, wanneer hij ‘mit Figur, Herzhaftigkeit und Geist’ de viool speelde, ‘der erste Geiger von Europa’ worden. Het wonderkind vertoonde bijgevolg op zijn reizen menig kunstje, afwisselend op de viool en aan het klavier. Zo kreeg de Oostenrijkse keizer – zelf een verdienstelijke violist – bij een bezoek van Mozart aan het Weense hof een pittig lesje vioolspelen van het zesjarige mannetje. Jaren later (1784) was de beroemde violiste Regina Strinasacchi uit Mantua op bezoek in Wenen. Mozart componeerde in allerijl voor een gezamenlijk optreden in het Kärtnertor-Theater de Sonate in Bes. De vioolpartij was geheel uitgeschreven, maar voor de pianopartij kwam hij tijd tekort. Die speelde hij zelf, op basis van slechts enkele schetsmatige aantekeningen, goeddeels uit zijn hoofd!
Het werk opent met een majestueus Largo. Daarna ontwikkelt zich een kleurrijk en afwisselend Allegro, waarin piano en viool elkaar speels partij geven. Het introverte Andante is elegisch van stemming. De finale, Allegretto, is een rondo (refrein met coupletten) in een zalige, galante stijl. Een waar feest voor solisten en toehoorders!

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847) – Sextet in D opus 110

Het hoge opusnummer is verraderlijk. De jonge Felix componeerde dit sextet voor piano en strijkkwintet in 1824 al op 15-jarige leeftijd, vrijwel gelijktijdig met de komische opera ‘Die Hochzeits des Camachos’, naar Cervantes. Voor familie en kennissen in de huiselijke kring. De bezetting is opmerkelijk: één viool, twee alten, cello, contrabas en piano. De piano speelt de hoofdrol. Het werk lijkt op een pianoconcert met een orkest in zakformaat.
De klassieke sonatestructuur van het eerste deel, Allegro vivace, is eenvoudig herkenbaar. De strijkers exposeren het gemüdliche hoofdthema, dadelijk door de piano gevolgd. De piano introduceert het neventhema. Beide thema’s worden gelijk na de expositie doorontwikkeld. Wanneer de piano het hoofdthema in een andere toonsoort ten beste geeft, is de doorwerking begonnen. Kunstig wordt het materiaal door elkaar gevlochten. Het is een feest om telkens de thema’s in andere gedaantes te horen opduiken. Het deel wordt afgesloten met de recapitulatie van de thema’s in gemodificeerde vorm en een uitgelaten slotcoda. Het langzame deel, Adagio, is een ingetogen ‘Lied ohne Worte’. De contrabas bromt zalig zijn partijtje mee. Het zogenoemde Menuetto: Agitato heeft twee Sturm und Drang-achtige episoden in mineur en daartussenin een trio in majeur. Het slotdeel, Allegro vivace, is vurig en pianistisch virtuoos.

Pianokwintet ‘Die Forelle’ in A opus posth. 14, D 667

In de zomer van 1819 maakte Franz Schubert met zijn vriend de zanger Michael Vogl een vakantiereis naar diens geboorteplaats, de stad Steyr in Opper-Oostenrijk. Vogl, bijna 30 jaar ouder, beschouwde de jonge componist als zijn protégé. Hij introduceerde ‘der Franz’ bij al zijn vrienden (en vriendinnen). Schubert genoot die zomer van alle uitstapjes, muziekfeestjes en geïmproviseerde concerten. Silvester Paumgartner, een lokale muziekmecenas, stelde Schubert voor een pianokwintet te componeren naar voorbeeld van het in 1802 ontstane pianokwintet van de Boheemse componist Johann Nepomuk Hummel. Het moest een vijfdelig werk worden voor piano, viool, altviool, cello en contrabas, met een variatiedeel gebaseerd op het lied ‘Die Forelle’. Het symmetrisch geconstrueerde werk is een van de gelukzaligste composities van Schubert geworden. Twee snelle hoekdelen flankeren twee langzame delen, en als contrast bedacht Schubert een scherzo als middendeel.
Het Allegro vivace opent plechtstatig. In de daaropvolgende episode verkent Schubert ietwat zoekerig het terrein. Pas na 25 maten barst de ware speelvreugde los: een stroom aan melodische en ritmische invallen die alle leden van het kwintet, inclusief de contrabas, de gelegenheid biedt te excelleren. Na de expositie volgt een avontuurlijke doorwerking. Het is een wonder hoe vanzelfsprekend Schubert motieven vervlecht en harmonische uitstapjes onderneemt. De reprise herhaalt vrijwel letterlijk de expositie. Het tweede deel is een lyrisch Andante, een zachtmoedig ‘Lied ohne Worte’, dat de instrumenten in pasteltinten kleur geeft. Het boertige Scherzo (Presto) stampt lekker hobbezakkerig. Het cantabile-element schuilt in het trio. Na het ‘Scherzo’ komt het beroemde vierde deel. Op de melodie van het lied ‘Die Forelle’ (D 550) laat Schubert zes variaties volgen. De omspelingen van het thema en de versieringen worden steeds uitbundiger. Pas in de laatste variatie horen we de pregnante zestienden-figuraties in de piano, die aan het lied het specifieke karakter verlenen. De opgewekte Finale (Allegro giusto) heeft het koloriet van een Hongaarse dans. Piano en strijkers concerteren er lustig op los.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 21 december 2014