Pyotr Ilyich  Tchaikovsky (1840 – 1893) – Piano Trio in a, Op. 50

Het is flinke stap van de jonge hemelbestormende Van Beethoven naar de nerveuze, hypochondrische Tchaikovsky. De romantiek heeft Europa nog stevig in de greep als de Rus zich in 1881 aan het schrijven van zijn enige ‘Piano Trio in a’ zet. Nog steeds spelen kleine ensembles trio’s en kwartetten tussen de schuifdeuren.  De tijd is echter lang voorbij dat vooraanstaande componisten series piano trio’s voor de huiselijke kring componeren. De trio’s van bijvoorbeeld Johannes Brahms en Antonin Dvorak ontstaan uit de innerlijke behoefte van de kunstenaar zich te uiten. Het zijn niet langer de diverterende stukjes, geschreven in opdracht van een of andere welgestelde mecenas.
Eigenlijk zag Tchaikovsky het helemaal niet zitten om een piano trio te componeren. Zijn weldoenster, Nadezjda von Meck (1831 – 1894) kreeg in 1880 nul op haar rekest, toen zij Tchaikovsky verzocht een piano trio voor haar te componeren. Naar de mening van de componist harmonieerden de instrumenten onvoldoende met elkaar om tot een aanvaardbaar geheel te kunnen komen.
Aanleiding om een jaar later toch een ‘Trio ter nagedachtenis van een groot kunstenaar’ in enkele weken tijds te schrijven, was het overlijden van zijn vriend Nikolai Rubinstein (1835 – 1881).  Nikolai was de broer van de beroemde pianist en componist Anton Rubinstein. Nikolai, muziekpedagoog en dirigent, stichtte het conservatorium van Moskou en in zijn functie van directeur hielp hij de jonge Tchaikovsky aan een professoraat aan dit eerbiedwaardige instituut. Toen Tchaikovsky aan de Côte d ‘Azur het overlijdensbericht van zijn vriend ontving, spoedde hij zich naar Parijs om zijn vriend de laatste eer te bewijzen. Later zocht de bedroefde componist troost in het schrijven van een werk, waarin hij uiting kon geven aan zijn smartelijke gevoelens. Dat werd het eindeloos mooie Piano Trio in a Op.50.
Het eerste deel gaf hij de toepasselijke titel ‘Pezzo elagiaco’. Het is opgebouwd uit een hoofdthema, vol pathos en een buitengewoon ontroerend tweede thema, dat lyrischer van karakter is. De structuur van het deel is niet gemakkelijk te volgen. Erg storend is dat niet, want de melodische gegevens blijven steeds eenvoudig herkenbaar. Halverwege wijzigt Tchaikovsky het tempo van ‘Moderato assai’ naar ‘Allegro giusto’. De partituur bevat aanwijzingen als ‘con anima’ en ‘dolente expressivo’.
Het tweede deel ‘Tema con variazioni’ heeft als vertrekpunt een simpel volksmelodietje, dat Tchaikovsky en Rubinstein hoorden tijdens een gezamenlijke trip in de heuvels even buiten Moskou. De melodie, eerst voorgedragen door de piano, ondergaat een hele serie metamorfosen, waaronder een springerig scherzo (3e variatie),  een tingelend deuntje uit een muziekdoos (5e variatie), een charmante wals (6e variatie) en een fuga (8e variatie, wordt vaak niet gespeeld). In de 9e variatie is het thema veranderd in een melancholische melodie, zoals alleen Tchaikovsky die kon componeren. Dan volgt een mazurka, waarna de 11e variatie de inleiding vormt tot de wat bombastisch uitgevallen ‘Rondo Finale’. Wanneer het pathetische hoofdthema uit het eerste deel weerklinkt, wordt de cyclus gesloten. Als een stervend hart tikt de muziek verstild weg.

Johannes Brahms (1833-1897) – Pianokwartet nr. 3 in c, opus 60 ‘Werther’

Omstreeks 1855 was de jonge Brahms tot over zijn oren verkikkerd op Clara Schumann. Helaas was zijn grote liefde gehuwd en is – zover wij weten – haar leven lang trouw aan haar toen al ernstig geesteszieke echtenoot, Robert, gebleven. Johannes ondersteunde het gezin van de Schumanns zo veel als hij kon. Maar diep in zijn hart voelde hij zich onmachtig en eenzaam. Clara was onbereikbaar. Hoe kan het romantischer? De componist heeft geheel in de geest van de tijd zijn smartelijke onlustgevoelens tot uitdrukking gebracht in een (aanzet tot) een pianokwartet in cis klein. Slechts twee delen (of drie) zijn tot stand gekomen. Brahms heeft het werk terzijde gelegd. Wat er verder met de manuscripten is gebeurd weten we niet. Zeker is echter dat Brahms de betreffende muziek in 1873/74 weer heeft opgepakt. De toonsoort cis heeft hij gewijzigd in c klein. Waarom? Geen idee. Brahms deed daarover geen mededelingen. Ook is onduidelijk in hoeverre hij de bestaande noten heeft bewerkt. Brahms was een notoire weggooier. Alles wat niet aan zijn hoogst kritische kwaliteitsmaatstaven voldeed, verdween in het ronde archief. Daarom is ook nimmer opgehelderd of het langzame derde deel van het kwartet misschien ook al omstreeks 1855 is ontstaan. Hoe het ook zij, in de zomer van 1875 voltooide de componist zijn derde pianokwartet in c, en gaf er het opusnummer 60 aan.
De piano opent het Allegro non troppo met de grondtoon. Het zuchtende motief in de strijkers verklankt de uitzichtloosheid van de situatie. Dan barst het gepassioneerde hoofdthema los. De frustratie van de onmogelijke liefde is hartverscheurend. De onmacht, de razernij ebt geleidelijk weg. Het neventhema, voorgedragen door de piano, is veel zachtmoediger van aard. Tempoversnelling, het zou zo mooi kunnen zijn. De voortzetting van het nevengegeven is niet minder geëmotioneerd en treurig van stemming. De desperate verzuchtingen, eerst stil en ingetogen, daarna opzwepend tot schrijnende uithalen van het volledige kwartet, keren weer. Uit deze ingrediënten ontwikkelt Brahms een heel persoonlijk muzikaal relaas. Het nerveuze Scherzo: Allegro lost weinig of niets van de opgebouwde spanning op. Kortademig strijken de stokken over de snaren en hameren de vingers op de toetsen van de piano. Het trio is iets berustender van toon. Veel milder klinkt het Andante. De cello zingt een lange melodie van troost en acceptatie. Viool en alt vallen bij. De piano begeleidt. De gedachtewisseling tussen de instrumenten is het rustpunt in de getormenteerde compositie. Het is niet anders… Wie verwacht dat Brahms in het slotdeel, Allegro comodo, de verzoening met de blijvende vriendschap tussen Clara en hem bezingt, komt bedrogen uit. Niets daarvan. Het lang uitgesponnen thema mondt uit in het noodlotsmotief uit Beethovens vijfde symfonie. De relatie tussen de twee was en bleef weliswaar diepgeworteld, maar was lang niet altijd even gemakkelijk.

Het wringen en wrijven van een eenzame ziel in een uitwegloze situatie heeft dit aangrijpende  pianokwartet de bijnaam ‘Werther-kwartet’ bezorgd (naar Goethes: Die Leiden des jungen Werthers).

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

 

adminProgrammatoelichting 22 februari 2015