Programmatoelichting 30 november 2014

Concert 30 november 2014

Ludwig van Beethoven (1770-1827) – Trio voor piano, klarinet en cello in Bes, opus 11 ‘Gassenhauer’

De (piano)trio’s van Van Beethoven hebben niet dezelfde kunstzinnige pretentie als bijvoorbeeld diens strijkkwartetten. Het vierde pianotrio (in Bes) – oorspronkelijk voor klarinet, cello en piano – gecomponeerd in 1797 (1798?), is een onderhoudend, niet al te diepgravend stuk. Van Beethoven schreef het werk voor de gezellige entourage van de salons van de welgestelden. Hij droeg het werk op aan gravin Maria Wilhelmina von Thun. De Weense salon van deze dame was een zeer geliefde ontmoetingsplaats van de politieke en culturele elite van die dagen. De gravin had bovendien een fijne neus voor jong talent. Ze hielp ‘en passant’ de uit Bonn afkomstige geniale, doch ietwat onbehouwen gelukzoeker aan uitstekende relaties. Twee van haar schoonzonen, Prins Lichnowky en Graaf Razumovsky, werden door haar bemiddeling belangrijke (financiële) steunpilaren van de componist. Vandaar dat Van Beethoven wel enige reden had iets terug te doen.

Het trio heeft drie delen. Het Allegro moderato opent met een robuuste frase. Het hoofdthema klinkt aanvankelijk zelfs een beetje aanmatigend, ontwikkelt zich daarna zangerig en mondt uitdagend uit in een flitsend ‘concertare’ van de instrumenten. Het neventhema begint  bedachtzaam, maar verandert daarna alras in lyrische vrolijkheid met spitse dialogen tussen de solisten. De expositie wordt letterlijk herhaald. De doorwerking bevat geen al te zware Beethoviaanse conflictstof. De toonaard gaat weliswaar even over naar mineur en de stemming wordt wat ‘draufgängerisch’, doch verder laat de componist het niet komen. De speelvreugde blijft overheersen. In de recapitulatie keren alle thematische elementen terug. Ook in het Adagio onthoudt Van Beethoven de toehoorders dramatische complicaties. De cello speelt cantabile een fraaie melodie. De klarinet vervolgt het tedere muzikale betoog. Dan is het de beurt aan de piano. En zo verder. De dames nippen ondertussen bevallig aan de vruchtensappen, de heren savoureren relaxed hun havanna’s. Met een schalkse knipoog naar de gastvrouw verrast de jonge Ludwig de gasten in haar salon met een thema uit de komische opera ‘L’amor marinaro’ van Joseph Weigl (1766-1846). Het is een populair straatliedje (vandaar de bijnaam ‘Gassenhauer’), dat gemakkelijk in het geheugen blijft hangen. In de negen variaties die volgen toont Van Beethoven zijn vermogen om een triviaal wijsje fantastische metamorfosen te laten ondergaan.

 Franz Schubert (1797-1828) – ‘Der Hirt auf dem Felsen’ voor sopraan, klarinet en piano, D. 965

Enkele maanden voor zijn overlijden loste Franz Schubert een oude belofte in om voor een vriendin, de sopraan Pauline Anna Milder-Hauptmann, een concertant lied te componeren. De zangeres vroeg om een bravourestuk waarin zij al haar talenten breeduit kon etaleren. Schubert koos een zeven strofische tekst, deels van Wilhelm Müller en deels van Karl August Varnhage von Ense. Het lied – met een aan de sopraan evenwaardige klarinetpartij – bevat qua sfeer drie heel verschillende secties. In de eerste drie minzame strofen zit de herder eenzaam op de top van een berg en luistert naar de echo’s uit het dal. Erg happy is hij niet. Zo blijkt in de tweede sectie wanneer hij zich in de volgen de drie strofen beklaagt over de afwezigheid van zijn al te ‘ferne Geliebte’. Maar er is hoop. In de laatste strofe is de lente in aantocht, en dat betekent nieuw leven.

Wenn auf dem höchsten Fels ich steh’,
In’s tiefe Tal hernieder seh’,
Und singe.
Fern aus dem tiefen dunkeln Tal
Schwingt sich empor der Widerhall
Der Klüfte.
Je weiter meine Stimme dringt,
Je heller sie mir wieder klingt
Von unten.

Mein Liebchen wohnt so weit von mir,
Drum sehn’ ich mich so heiß nach ihr
Hinüber.
In tiefem Gram verzehr ich mich,
Mir ist die Freude hin,
Auf Erden mir die Hoffnung wich,
Ich hier so einsam bin.
So sehnend klang im Wald das Lied,
So sehnend klang es durch die Nacht,
Die Herzen es zum Himmel zieht
Mit wunderbarer Macht.

Der Frühling will kommen,
Der Frühling, meine Freud’,
Nun mach’ ich mich fertig
Zum Wandern bereit

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – ‘Kegelstatt’ trio in Es voor piano, klarinet en altviool, KV 498

 Of Mozart op de avond van 5 augustus, in hetzelfde jaar 1786, daadwerkelijk tijdens een partijtje kegelen het complete trio in Es zou hebben geconcipieerd, zoals hij zelf suggereerde, is nauwelijks voor te stellen. Misschien heeft hij wel in de verloren minuutjes de noten, die zich in zijn gedachten al hadden gevormd, op papier gezet. Dat is best mogelijk. Het trio zit echter zo kunstig in elkaar en is zo origineel qua vorm dat het zelfs voor een geniaal mens als Mozart bijkans onmogelijk moet zijn geweest om te midden van de herrie van een kegelbaan zo’n perfect uitgewogen en innovatief muziekstuk te schrijven.

Wat is zo bijzonder aan dit trio? Allereerst de samenstelling van de instrumenten. De gebruikelijke bezetting van trio’s in die dagen was viool, cello en piano. Mozart verving de viool door een klarinet en ruilde de cello in voor de altviool. Aanleiding voor deze originele bezetting was een soiree bij de familie van de botanicus Jacquin. Mozarts opzet was op dat feestje tezamen met zijn vriend, de klarinettist Anton Paul Stadler, en de dochter des huizes, zijn pianoleerlinge Franziska, voor een muzikale opluistering te zorgen. Ieder van de spelers moest voldoende solistische speelruimte krijgen om bijval te oogsten. Zelf speelde hij de altpartij. De keuze van de delen is eveneens opmerkelijk. Niet het traditionele stramien snel – langzaam – snel. Dit trio bevat geen enkel echt langzaam deel, want ook het Andante waarmee het stuk opent is niet echt traag van tempo. Dan de muzikale inhoud van de drie delen. Het Andante is niet volgens de principes van de gangbare sonatevorm met twee contrasterende thema’s opgebouwd, maar haast monothematisch van aard. De gecompliceerde meerstemmigheid van het Menuetto is ver verwijderd van het toen gangbare en de uitvoerige rondo-sonatestructuur van het afsluitende Rondeau (Allegretto) is evenmin alledaags. Mozart-kenner Alfred Einstein – een neef van de beroemde fysicus – verbaasde zich over het vernuft van Mozart “om een werk af te sluiten door melodische en contrapuntische verdichting, die de luisteraar niet alleen bevredigt, maar hem bovenal in verrukking brengt!”

Maurice Ravel (1875-1937) – Pianotrio in a

De Franse (amateur)dichter, schilder en componist Tristan Klingsor herinnert zich in ‘Maurice Ravel par quelques-uns de ses familiers’ (Parijs,1939) de componist als een kleine, pezige man, die zijn diepere gedachten als regel verborg achter vriendelijke spot en een dandy-achtig epateren met zijn kleding. De kleur van zijn dassen en sokken leek hij belangrijker te vinden dan zijn muzikale passies. Ravel was bepaald geen extrovert mens. Hij kon op buitenstaanders gemakkelijk de indruk van een afstandelijke, koele kikker maken. Zijn intimi, waaronder deze Klingsor, wisten wel beter. Achter de façade ging een uiterst sensitieve man schuil, die bepaald niet bang was om – als het erop aankwam – kordaat naar buiten te treden. In 1914 deed hij bijvoorbeeld manhaftige pogingen om met het Franse leger tegen de vijand te gaan vechten. Hij werd echter niet toegelaten. Hij was te klein van stuk en zijn lichaamsgewicht werd onvoldoende bevonden om als kanonnenvlees te dienen. In 1916 werd de Franse Bask toch als vrachtwagenrijder geaccepteerd. Doch spoedig daarna werd zijn gezondheid ook voor deze taak te broos bevonden. Het laatste werk dat Ravel vóór het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog voltooide was het Pianotrio in a.

Maurice Ravel componeerde het trio ongeveer in dezelfde periode als waarin zijn grote ballet ‘Daphnis et Chloé’ (D & C) tot stand kwam. Als u de muziek van het ballet goed kent, kunt u her en der echo’s van D & C beluisteren. Ravel was – anders dan zijn collega Debussy – geen echte vernieuwer. Hij was bij uitstek de estheet die binnen de grenzen van de klassieke vormen op geraffineerde wijze het spel met harmonieën en metrum beheerste. Toch zitten in dit elegante pianotrio tal van noviteiten verwerkt, vooral op het ritmische vlak. In het Modéré telt bijvoorbeeld het rustige hoofdthema in achten, terwijl de bas in een asymmetrisch metrum van kwarten staat. Na een flinke versnelling introduceert Ravel een tweede thema, terwijl de onregelmatige cadans in de bas blijft doorklinken. Het scherzo, Pantoum: Assez vif genaamd, duidt op een inspiratie uit de Maleisische dicht- en voordrachtskunst. De ritmiek lijkt uiterst grillig, maar is consequent opgebouwd volgens de structuur van deze door Victor Hugo geïntroduceerde Maleisische versvorm. De tweede en vierde strofe van een vierregelig vers worden in het volgende vers de eerste en de tweede strofe. Soms lijkt het of een wals zoals in D & C zich aan het ontwikkelen is. De fraaie melodie van het langzame derde deel schrijdt voort op het trage, hoofse metrum van de Passacaille. De Baskische volksaard van Ravel verloochent zich niet in de temperamentvolle Final: Animé.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 30 november 2014