Programmatoelichting 4 oktober 2015

De toverfluit

 Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – Fluitkwartet in C, KV 285b

De authenticiteit van dit tweedelige voor fluit en strijktrio, KV 285b gecomponeerde werk stelt muziekvorsers voor grote problemen. Schreef Wolfgang Amadeus Mozart het werk tijdens zijn verblijf in 1777 in Mannheim in opdracht van een Duitse amateurfluitist, de arts Ferdinand De Jean, of is het werk van latere datum en heeft het niets met deze arts van doen? Terzijde: De Jean was destijds niet bijster tevreden met Mozarts creaties en scheepte hem met minder dan de helft van het oorspronkelijk overeengekomen honorarium af. Mozart had daar, zo blijkt uit de correspondentie met zijn vader, vreselijk de schurft over in. Kenners betwijfelen of het charmante, maar weinig inventieve eerste deel, Allegro, überhaupt van Mozart is. En het tweede deel, Tema (Andantino) con variazioni, vertoont opmerkelijke gelijkenis met het zesde deel uit Mozarts befaamde ‘Gran Partita’ uit 1781/2.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) – Serenade voor fluit, viool en cello in D, opus 25

In het Wenen van 1792 is de jonge Van Beethoven dé nieuwe ster aan het firmament. Mozart is niet meer, papa Haydn verkeert in Londen. Voor het aanstormende genie gaan de salondeuren van het establishment wagenwijd open. Voor hen componeert hij aanvankelijk verstrooiingsmuziek in de klassieke stijl van zijn voorgangers. Een serenade bijvoorbeeld voor fluit, viool en cello. Een eenvoudig, licht verteerbaar werk, vol elegance. Het stuk begint met een opgewekte Entrata. Allegro. Hoera, het trio stelt zich voor. Het concert kan beginnen! Het tweede deel, een zoetgevooisd menuet, getiteld Tempo ordinario d’un Minuetto, heeft een hoog pruikengehalte. Sluit de ogen en bedenk hoe de keurig uitgedoste dames en heren deftig op de maat door de salon bewegen. Gelukkig zijn er grappige tussendoortjes, waarin zich (wellicht) enige amoureuze frivoliteiten kunnen afspelen.
Het Allegro molto heeft al iets van het eigenzinnige, ritmisch geprononceerde Beethoviaanse.
Dat hij de kunst van het variëren meester is, etaleert de componist in het Andante con variazioni. Op een zangerig thema laat Van Beethoven drie speelse variaties horen. Het deel eindigt met een schalkse knipoog. Het galopperende Allegro scherzando e vivace (met trio) is voorbij voor je het weet. Het laatste deel bestaat uit een dromerig Adagio, zonder onderbreking gevolgd door een aanstekelijk rondo, Allegro vivace e desinvolto, met een daverend slot.

Alberto Ginastera (1916-1983) – Impressiones de la Puna voor fluit en strijkkwartet

Alberto Ginastera is voor Argentinië wat Villa-Lobos voor Brazilië is. Verwacht van deze twintigste-eeuwse Zuid-Amerikaan geen tangorepertoire zoals dat van zijn landgenoot Astor Piazzolla. Nee, de kunstmuziek van Ginastera is weliswaar net zo volks, maar tegelijkertijd ook even divers van stijl en variabel qua toegankelijkheid als die van Villa-Lobos. Zelf onderscheidt Ginastera drie fasen in zijn componistenloopbaan. De eerste fase noemt hij ‘objectief nationalisme’, de tweede ‘subjectief nationalisme’ en de derde ‘neo-expressionisme’. De evolutie die de componist in zijn werk doormaakt is die van bewerker tot verwerker van volksmuziek. Na 1957 bekeert hij zich tot adept van het 12-toons serialisme.

 

De drie ‘Impressiones de la Puna’ uit 1934 zijn composities uit de eerste periode. Het was het  eerste kamermuzikale werk dat Ginastera – toen nog studerend – componeerde. De puna is het koude, dorre berglandschap tussen de 3000 en 5000 meter. Het eerste stuk, Quena, is beschouwend van karakter met een duidelijk impressionistische signatuur. Daarna volgt een triestig Cancíon. De uitsmijter is een Danza waarin de strijkers pizzicati spelen en de fluit klinkt als een ‘quena’, de houten Andesfluit.

Wolfgang Amadeus Mozart – Die Zauberflöte, KV 620: Aria’s, bewerkt voor duet van fluit en viool

Samen met theaterman, Emanuel Schikaneder knutselde Wolfgang Amadeus in 1791 – amper tien weken voor zijn overlijden – een exotisch, sprookjesachtig Singspiel in elkaar. In de geest van de vrijmetselarij is Die Zauberflöte een filosofisch getint drama over de zoektocht van man en vrouw naar ware liefde en deugd. Beluister achtereenvolgens: Der Vogelfänger bin ich ja (Papageno’s olijke presentatie), Wie stark ist nicht dein Zauberton (Tamino temt met de tonen van de toverfluit de wilde dieren, maar Pamina reageert niet) en tot slot Du feines Täubchen, nur herein (terzetto van de engerd Monostatos, de van afschuw vervulde Pamina en de luchthartige Papageno).

Johann Sebastian Bach (1685-1750) – Suite nr. 2 in b, BWV 1067

Het merendeel van de wereldlijke composities die van Johann Sebastian Bach bewaard zijn gebleven, stamt uit de jaren 1717-1723, de periode dat hij als kapelmeester aan het hof van prins Leopold in Köthen verbonden was. Helaas moet juist uit die tijd enorm veel muziek verloren zijn gegaan. Behoudens de bekende concerten, solosuites en sonates is maar weinig oorspronkelijk materiaal overgebleven. Hoe ijverig de kapelmeester was, blijkt onder meer uit het feit dat een tweede en soms zelfs een derde kopiist moest worden ingehuurd, nodig omdat één man Bachs tempo niet kon bijpennen. Ook de uitzonderlijk hoge kosten van het drukken en inbinden van muziek wijst volgens de boekhouding uit die jaren op een gigantische productie. Schattingen van het aantal werken dat Bach in Köthen zou hebben geschreven lopen uiteen van 200 tot 350. Daaronder moeten, naast vocale, ook tal van instrumentale werken zijn voorgekomen. Jammer, jammer, de bibliotheek van de hofkapel is spoorloos verdwenen. Onderzoek heeft uitgewezen dat ook de orkestsuites vermoedelijk in Köthen zijn ontstaan. Maar of ze daar ooit zijn uitgevoerd, is nooit bewezen.

De suite nr. 2 in b, BWV 1067 met de fluit in de hoofdrol bestaat uit een uitvoerige Ouverture naar Frans voorbeeld in een ABA-structuur, waarbij het middendeel een echte Bachiaanse fuga is. De internationale oriëntatie van deze suite blijkt uit de verschillende landen van herkomst van de dansen; Frankrijk: het Rondeau, de Bourrée en afsluitend de geinige Badinerie. Voorts Spanje: de Sarabande; Polen: de Polonaise en Oostenrijk: het Menuett.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 4 oktober 2015