Programmatoelichting 8 november 2015

Jong Talent

Robert Schumann (1810-1856) – Adagio en Allegro, opus 70 (versie voor cello en piano)

In 1849 componeerde Schumann enkele korte duo’s voor melodie-instrument en piano. Het ‘Adagio en Allegro’ is daar één van. Van dit opus 70 bestaan versies voor hoorn, viool, cello en hobo. Dat de muziek oorspronkelijk voor de hoorn is geschreven blijft in de transcripties steeds goed hoorbaar. In het zangerige Adagio voeren de solisten een innige dialoog met elkaar. Het Allegro is een flitsend rondo vol Schumaneske schwung.

Ludwig van Beethoven (1770-1827) – Sonate nr 3 in A opus 69

Hoe trachtte Ludwig van Beethoven aanvankelijk het probleem van de onbalans in zijn eerste proeven in het genre sonate voor cello en pianoforte op te lossen?  Heel praktisch: door gewoon geen langzame delen in de sonates op te nemen. Op die wijze ontnam de slimme componist de cello de gelegenheid zich uit te leven in uitgesponnen cantilene passages, waartegenover de vluchtige klanken van het hammerklavier het onherroepelijk zouden afleggen. In plaats van een driedelige structuur met een Andante of Adagio als middendeel, koos hij voor een tweedelige opzet zonder afzonderlijk langzaam deel. Naar het voorbeeld van de Londense symfonieën van ‘papa’ Haydn componeerde hij voor beide eerste sonates opus 5 uitvoerige openingsdelen in ‘tempo di allegro’, slechts voorafgegaan door een  Adagio als inleiding. Ook de beide afsluitende tweede delen werden vlotte stukken muziek met veel gelegenheid tot bravoure. Na de derde cellosonates paste Van Beethoven deze truc niet meer toe. De technische mogelijkheden van het hammerklavier waren een decennium  later al zodanig verbeterd, dat  het probleem van de onbalans zichzelf goeddeels had opgelost.
Zijn derde cellosonate, ontstaan in de jaren 1807/1808, droeg Ludwig van Beethoven op aan de bevriende keizerlijke raadsheer, Freiherr Ignaz von Gleichenstein. De edelman, zelf een verdienstelijke cellist, zal de initiator van de compositie zijn geweest. Het werk, gecomponeerd tezelfdertijd als de vijfde en zesde symfonie, stamt uit Van Beethovens middelste scheppingsperiode.
De cello opent het Allegro, ma non tanto op een vrije, improviserende wijze. Het pittige  hoofdthema wordt met meer vaart gebracht. Het contrasterende neventhema zingt weemoedig. Een derde, energiek gegeven fungeert als afsluiting van de expositie. De lange doorwerking borduurt hoofdzakelijk verder op het zangerige neventhema. Na de reprise werkt de componist op ingenieuze wijze toe naar de daverende slotcoda. De sonate heeft – zoals hiervoor verklaard – nog geen echt langzaam deel. Een syncopisch Scherzo (Allegro molto) fungeert als manhaftig middendeel. De cello jammert af en toe een beetje, maar het is alsof de componist zegt: niet zeuren, flink zijn, doorspelen. Aan het razendsnelle slotdeel, Allegro vivace, gaat een langzame passage (de enige), Adagio cantabile, vooraf. Deze sonate heeft – bij herhaalde beluistering – herkenbare trekjes van de Pastorale Symfonie.

Franz Schubert (1797-1828) – Pianotrio nr. 1 in Bes, opus 99, posth. D 898

Veel van Schuberts kamermuziek werd geschreven voor huiselijk gebruik, hetzij met zijn familie of in gezelschap van vrienden. Wanneer zijn veertigjarige vriend Josef von Spaun begin 1828 aankondigt zijn vrijgezellenbestaan op te geven, stelt Schubert voor een muzikale avond ter gelegenheid van de verloving te organiseren. “Ik breng Bocklet, Schuppanzigh en Linke mee.” En zo geschiedde. Voornoemde muzikanten speelden een trio, en daarna nog veel meer muziek. De vrienden bleven tot na middernacht vrolijk bij elkaar. Flink aangeschoten boemelde het stel verder in café Bogner. Het is bijna zeker dat het meer dan een half uur durende pianotrio in Bes op die gedenkwaardige laatste Schubertiade werd gespeeld. Pas acht jaar na Schuberts dood werd het stuk bij Diabelli gepubliceerd als opus 99.

 “Leidend, weiblich, lyrisch”, zo karakteriseerde Robert Schumann in zijn ‘Neuen Zeitschrift für Musik’ de vloeiende melodieënpracht van het blijmoedige Pianotrio nr 1. Het eerste deel, Allegro moderato, heeft twee thema’s. Het eerste, snelle thema zit vol zwierige triolen. Het materiaal wordt uitgebreid bewerkt. Pas na zestig maten wordt het gracieuze neventhema door de cello geïntroduceerd. In de doorwerking worden de beide melodieën kunstig dooreen gevlochten. Het langzame tweede deel, Andante un poco mosso, is een wonder van modulatietechniek. De muziek vertrekt in een dromerig As-groot. Plotseling geeft Schubert een draai aan het harmonische stuur en bevinden zich de noten in de ver verwijderde toonreeks E-groot. Slechts een kwartmaat heeft het genie nodig om daar te komen, en het effect is hemels. En zo varieert Schubert in deze fijnzinnige mijmering voortdurend de toonsoorten. Op het schelmse Scherzo (Allegro) met een zangerig trio op een walsachtig ritmetje volgt tot slot een dansant Rondo (Allegro vivace). Verrukkelijke muziek!

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

 

 

adminProgrammatoelichting 8 november 2015