Programmatoelichting 9 april 2017

New Zealand String Quartet

Leoš Janáček – Strijkkwartet nr 1 ‘Kreutzer’

De Moravische componist Leoš Janáček is een wonder in de muziekgeschiedenis. Vóór 1900 wees praktisch geen noot op de verrassende wending die de muziek van het kleine baasje uit Brno later zou nemen. Na 1900, onder invloed van impressionisme en Jugendstil, veranderde de stijl van Janáček drastisch. Op gevorderde leeftijd produceerde de tot dan toe alleen lokaal bekende muziekleraar, koordirigent en tijdschriftredacteur een opera, waarin hij zijn grondige kennis van het klankidioom van de Tsjechische taal wist te vertalen in hoogst oorspronkelijke muzikale frasen. Hoe was het mogelijk dat een voorheen zo onbeduidende provinciaal de inventiviteit had om –  schijnbaar uit het niet – traditionele, klassiek-romantische structuurprincipes eenvoudig opzij te schuiven en tegelijkertijd op het vlak van harmonie en ritmiek een volstrekt unieke weg in te slaan? Zoiets was voordien alleen door een genie als Debussy gepresteerd. En raadsel!
Zijn eerste kwartet componeerde Janáček na lezing van het verhaal ‘De Kreutzersonate’ van Leo Tolstoi. De auteur moraliseert in deze vertelling over huwelijkstrouw, zinnelijke seks en wat dies meer zij. Hij veroordeelt het bourgeoishuwelijk als een ‘liaison convenience’, gebaseerd op leugen en bedrog. Hij verklaart zich solidair met de onderliggende partij, de vrouw die slachtoffer is van het zedeloos gedrag en het gebrek aan normen en waarden van de heren. In Janáčeks versie gaat het niet om de veroordeling van de echtbreuk op zich, want daar was hij als gezegd mede debet aan, maar om het mededogen met hen die lijden onder de smart van een ongelukkige liefde. En dat die smart groot was, hoort de luisteraar van meet af aan in dit aangrijpende stuk muziek uit 1923.

Mendelssohn-Bartholdy – Strijkkwartet nr 3 in D opus 44/1

Felix (in het Latijn: de gelukkige) Mendelssohn-Bartholdy kon net als Mozart van jongs af aan op muziekgebied praktisch alles. Componeren deed hij al als tiener. Piano en orgel bespeelde hij als de besten uit zijn tijd. In de rol van dirigent behoorde hij tot de absolute top en ook als musicoloog hebben we veel te danken aan zijn baanbrekende speurwerk naar de composities van oude meesters, m.n. die van Johann Sebastian Bach. Daarenboven was hij een zeer belezen filosoof en humanist en ook nog eens een begenadigd tekenaar/aquarellist. Zo een superbegaafde, fysiek aantrekkelijke, welopgevoede en financieel onafhankelijke bankierszoon was daadwerkelijk voor het fortuin geboren. Een echte geluksvogel!
In de zomer van 1838 is de componist 29 jaar, een jaar eerder in het huwelijk getreden met Cécile en zojuist vader geworden van een zoontje. Hij woont in Leipzig, waar hij dirigent is van het prestigieuze Gewandhausorchester. Hij werkt (tezamen met Robert Schumann) ijverig aan het eerherstel van Bach en Handel. Tussen de bedrijven door componeert hij. In april trekt het jonge gezin naar Berlijn om daar bij de familie de zomer door te brengen. Daar legt hij vermoedelijk de laatste hand aan het strijkkwartet in D, de laatste van de drie kwartetten opus 44. De stukken worden in gewijzigde volgorde gepubliceerd en opgedragen aan de kroonprins van Zweden.
Het werk begint met een tamelijk luchthartig Molto allegro vivace in sonatevorm. In het opgewekte hoofdthema verkeert met name de primarius in een uitgelaten bui. Het zangerige neventhema is minder pregnant. Oneerbiedig gezegd: een beetje een deuntje. Mendelssohn peurt het materiaal vervolgens (wel een beetje heel) uitvoerig uit. Het Menuetto: Un poco allegro is aandoenlijk. In het trio mijmert de 1e violist er in z’n eentje ontspannen op los. Het karakter van het Andante espressivo ma con moto is dat van een beschaafde elegie. Af en toe een uitbarsting, maar verder zingt onder aanvoering van de primarius het kwartet een ingetogen ‘Lied ohne Worte’. In de finale, Presto con brio, hervat de componist het uitgelaten betoog van het eerste deel. Muziek om blij van te worden!

Johannes Brahms (1833-1897) – Strijkkwintet in G opus 111

In de zomer van 1890 componeerde de 57-jarige Johannes Brahms een tweede strijkkwintet. Eigenlijk vond de gelauwerde musicus het hoog tijd om met componeren te stoppen. Brahms meldde zijn uitgever dat dit kwintet beslist zijn allerlaatste schepping zou zijn. Een ontmoeting in Meiningen met een superieure klarinettist, Richard Mühlfeld genaamd, bracht hem echter toch op andere gedachten. Zo ontstonden na zijn zogenaamde zwanenzang nog een buitengewoon fraai klarinetkwintet, een klarinettrioen twee al even geïnspireerde klarinetsonates.
De vraag is dikwijls gesteld wat de naar rust en ontspanning hunkerende componist er überhaupt toe bracht om nog zo’n groot werk te schrijven. Vermoed wordt dat de altijd schavende en herschrijvende, superkritische componist stapels probeersels in de kast had liggen, waaruit mogelijk nog eens een volwaardige symfonie zou kunnen ontstaan. Een vijfde, misschien? Zover is het nooit gekomen. Wel ontstond bijgevolg een kwintet voor twee violen, twee altviolen en een cello. Is dit herfstige muziek van een uitgebluste heer op leeftijd? Allerminst. Het strijkkwintet in G is een krachtig werk, schijnbaar geschreven met de frisheid van een jonge God. Een vriendin, Elizabeth von Herzogenberg, gaf als commentaar: ‘Degene die zulke muziek kan bedenken, moet wel heel gelukzalig in zijn vel zitten.’
De klankschoonheid van het levenslustige werk is vanaf maat één van het openingsdeel, Allegro non troppo, ma con brio, bijkans overrompelend. De cello exposeert het hoofdthema, terwijl de vier andere strijkers het nobele thema met een rijk filigrein van zestienden omlijsten. Het nostalgische neventhema is gebaseerd op een bewust wat oubollige Wiener Walzer. Uit dit materiaal ontspint zich een doorwrochte doorwerking waarin telkens (flarden van) de thema’s opduiken. Een vreugd voor spelers en toehoorders. Het Adagio heeft iets van een weemoedige Zigeunerweise. Even vlamt de hartstocht hoog op, maar voor het overige is het lieflijk deinende muziek, relaxed van begin tot het eind. Het scherzo, Un poco Allegretto, is in de gebruikelijke driedelige vorm gegoten. Het trio wiegt alsof opa Brahms een kleinkind in de armen vertroetelt (verzinsel natuurlijk, want Brahms was nooit gehuwd en heeft – voor zover bekend – nimmer nageslacht verwekt). Het slotdeel, Vivace ma non troppo presto, is een volbloed Hongaarse Csárdas. Een geweldige uitsmijter van dit zo blijmoedig gestemde kwintet.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 9 april 2017