Programmatoelichting 9 oktober 2016

Prodly Canadian

Antonín Dvořák (1841-1904) – Pianotrio in e opus 90 ‘Dumky’

Het Dumky trio is vooral qua vorm een hoogst origineel werk. Antonín Dvořák vond in het van oorsprong Oekraïense Dumka de inspiratie om melancholische lyriek af te wisselen met dansante Slavische vrolijkheid. Hij wilde rond 1890 eens radicaal uit het keurslijf van de traditionele vierdelige structuur stappen. Hij koos daartoe de Dumka, een overwegend zwaarmoedig gestemd, recitatiefachtig verhalend volklied als uitgangspunt. De naam Dumka (Dumky is de meervoudsvorm) betekent letterlijk ‘gedachte’ of ‘overpeinzing’. In de gestileerde versie van Dvořák wordt de trage melodiek gelardeerd met snelle opzwepende klanken, die eigenlijk wezensvreemd aan de Dumka zijn. Zo ontstond een zesdelige suite zonder een thematische verbondenheid van de delen. Elke Dumka staat in een andere toonsoort.
Het eerste deel, Lento maestoso, begint als een echte Dumka, zwaarmoedig en traag. Plots verandert het tempo in Allegro vivace. De melancholie wordt verdreven door een opgewekt volksdansje. De beentjes gaan van de vloer, maar slechts voor even, want de Slavische weemoed herkrijgt dra de overhand. De slotmaten zijn andermaal uitbundig. Dan volgt een korte onderbreking als overgang  naar de tweede Dumka, die als tempoaanduiding Poco adagio – Vivace non troppo heeft. Onder klokgebeier zingt de cello een treurig lied over vergane liefde. De viool vindt opeens het gejammer welletjes en begint abrupt vrolijk te fiedelen. Het zou  een waar volksfeest zijn geworden, ware het niet dat de cello ervoor kiest terug te keren naar het sombere gemijmer van even te voren. De luisteraar zal inmiddels het patroon herkennen. Het slot is weer van ‘heisa hopsa, hopsasa’. Deel drie, Andante – Vivace non troppo – Andante – Allegretto, is haast een getrouwe kopie van de beide vorige Dumky. Alleen het gehuppel aan het slot ontbreekt. Dvořák was een buitengewoon begenadigd melodist. Alles klinkt bij hem even authentiek Slavisch. De muziek zat in ’s mans genen, alles – noot voor noot – zelf bedacht, doch altijd in het volkseigen coloriet van zijn geboorteland. Het vierde deel, Andante moderato is in Quasi tempo di marcia, afgewisseld door een speels Allegretto scherzando. Het vijfde deel, Allegro, is de enige overwegend snelle beweging. De melancholieke ondertoon blijft evenwel gehandhaafd. In het zesde deel, Lento maestoso -Vivace zijn de tempoverschillen uitgesproken markant.

Johannes Brahms (1833-1897) – Pianokwartet nr 2 in A opus 26

“Ich habe mit jedem Takt an Clara (Schumann) gedacht.” Vermoedelijk hebben alledrie de pianokwartetten van Johannes Brahms een programmatische ondergrond, die samenhangt met de liefde van Brahms voor de enkele jaren tevoren weduwe geworden Clara Schumann. Al in 1855 schijnt de componist zich in Düsseldorf met het componeren van deze pianokwartetten bezig te hebben gehouden. En juist in die tijd ondersteunde hij intensief het gezin Schumann, dat vanwege de deplorabele geestestoestand van vader Robert zulke moeilijke tijden doormaakte. Het kwartet in A, voltooid in1861, is een en al gracieuze romantiek. Overduidelijk  zingt hier een man met weemoed naar vervlogen verliefdheid in het hart. Brahms legt zichzelf geen enkele beperking op. De thema’s zijn melodieus, veel minder geconstrueerd dan dikwijls bij deze soms wat academische componist het geval is. Het werk is in het genre pianokwartet een van de meest omvangrijke ooit gecomponeerd. Meer dan drie kwartier puur genieten!
In het eerste deel, Allegro non troppo, neemt de piano het initiatief. Dadelijk ervaart de luisteraar te worden meegenomen in de romantische maalstroom van hunkering, van verlangen naar beminnen en bemind worden. Het gelukzalige, meer dansante, neventhema is al net zo meeslepend als het hoofdthema. De componist vertelt ons in euforische toonaarden hoe verliefd hij zich voelde. De smeuïge tertsen en sexten verwarmen hart en ziel. De muzikale frasen in de doorwerking klinken als dialogen tussen geliefden:“Hou je echt van me? En jij, net zo veel van mij?” In het pathetische thema van het Poco adagio citeert Brahms de derde strofe uit Schuberts’ lied ‘Die Stadt’ (nummer elf uit ‘Schwanengesang’ D 957) . De onheilszwangere tekst van Heinrich Heine luidt als volgt: “Die Sonne hebt sich noch einmal leuchtend vom Boden empor und zeigt mir jene Stelle wo ich das Liebste verlor.” Kennelijk treurt Brahms in dit deel over de onvermijdelijke verwijdering die later tussen hem en de veel oudere Clara is ontstaan. Het ontspannen Scherzo. Poco allegro – Trio is een intermezzo in een voor dit deel ongebruikelijke sonatevorm. Het is de opmaat naar de Finale. Allegro. De Hongaarse poesta is de inspiratiebron waaruit Brahms het vurige, mannelijke hoofdthema put. Het contemplatieve (berustende) neventhema vormt het logische contrast.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting 9 oktober 2016