Programmatoelichting april 2016

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – Strijkkwintetten

Mozart componeerde zes strijkkwintetten, alle voor de bezetting van twee violen, twee altviolen en een cello. Hij week daarmee af van bestaande voorbeelden met twee violen, een altviool en twee celli, zoals met name Luigi Boccherini (1743-1805) die aan de lopende band schreef. Wilde Mozart zich van de Italiaanse cellovirtuoos, sedert 1786 in dienst van het Berlijnse hof, onderscheiden? Wilde hij met deze originele werken een wit voetje halen bij de niet onverdienstelijk cello spelende Friedrich Wilhelm II, die zojuist koning van Pruisen was geworden? Immers, in de kwintetten van Boccherini was slechts een tweede stem voor de vorst weggelegd. Of koos Mozart voor de verdubbeling van de altstem omdat de altviool van alle strijkers hem het dierbaarst was? We weten het niet. Feit is dat Mozart door versterking van juist de ‘Innenstimmen’ een sonoriteit bereikt die heel bijzonder is. En of Friedrich Wilhelm de stukken ooit heeft gehoord (en heeft geapprecieerd), weten we evenmin. Wanneer Mozart, zonder vaste aanstelling aan een of ander hof, in 1788 een reis naar Berlijn maakt, houdt de berooide freelancer aan dit tripje – zoveel is zeker – bar weinig over. De altijd en eeuwig om geld verlegen componist is eind 1788 zelfs gedwongen om de unieke strijkkwintetten KV 515 en 516, tezamen met het kwintet KV 406, bij abonnement in de ‘Wiener Zeitung’ aan te bieden. Het publiek reageerde totaal niet. Of een hernieuwde advertentie wel iets heeft opgebracht, moet worden betwijfeld. Dat Mozart een briljante muzikant was, werd in zijn dagen wel onderkend, maar vermoedelijk is zijn vaak minder hoffelijk gedrag er de oorzaak van geweest dat hij voor de beter betaalde (leidinggevende) baantjes nimmer in aanmerking kwam. Helaas, het genie stierf drie jaar later in bittere armoede. Hij werd slechts 35 jaar oud!

 

Strijkkwintet in Bes, KV 174

 

Hoewel het eerste strijkkwintet in Bes uit 1773 altijd in de schaduw heeft gestaan van de vier befaamde kwintetten uit Mozarts latere leven, is ook dit strijkkwintet een groots opgezet werk, dat ten volle het beluisteren waard is. Men vermoedt dat een soortgelijke compositie van Michael Haydn, waarvoor Mozart enkele bijdragen leverde, de componist op het idee heeft gebracht zelf ook eens iets voor strijkkwintet te schrijven. De eerste viool exposeert in het openingsdeel, Allegro moderato, het hoofdthema, even later door de eerste altviool herhaald. De cello speelt een ondergeschikte rol. Eerste en tweede viool imiteren elkaar in het speelse nevengegeven. In het intieme Adagio spelen de strijkers met dempers, waardoor de klank van het ensemble ietwat omfloerst aandoet. In het volkse Menuetto ma allegretto vallen de herhaaldelijke echo-effecten in het trio op. Het optimistisch gestemde slotdeel, Allegro, is goeddeels gebaseerd op grappige loopjes van  razendsnelle zestiende nootjes.

Strijkkwintet in D, KV 593

Vóór het levensdoek vroegtijdig viel, componeerde Mozart in december 1790, zo rond zijn 35e verjaardag, nog twee werken in dezelfde bezetting als de vier voorafgaande: de strijkkwintetten KV 593 en 614. Mogelijk was de opdrachtgever een zekere Johann Tost, de eerste violist in Haydns Esterházy-orkest. Deze veronderstelling is gebaseerd op een brief van Mozart waarin hij gewag maakt van een ‘Hongaarse vriend van de muziek’ die de kwintetten bij hem bestelde. Tost was kort tevoren met een rijke vrouw getrouwd en zodoende heel wel in staat Mozart voor zijn werk (naar behoren) te betalen. Of het waar is? Kan best zo zijn.

Het strijkkwintet KV 593 in D groot opent met een Larghetto. Het is een wonderlijke proloog op wat gaat komen. Zesmaal bast de cello sonoor een plechtstatige frase, telkens gevolgd door een tedere melodie hoog in de violen. Na de zesde herhaling versmelten de instrumenten en is het pad geëffend voor het energieke Allegro. Het uitgebreide hoofdthema is zeer gevarieerd, vol wonderlijke sprongen en humoristische ‘Spielereien’. Het lyrische neventhema bevat een grappig vraag-en-antwoordspelletje. In de doorwerking weet Mozart wel raad met deze rijkdom aan melodieën en motieven. Voor de luisteraar een waar feest der herkenning! Aan het slot van het deel hervindt Mozart, zij het in een andere toonaard, de openingsfrasen van het Larghetto. Het ernstige Adagio heeft twee thema’s, waarvan het tweede duidelijke verwantschap toont met het thema uit het langzame deel van zijn laatste symfonie, de ‘Jupiter’. Het Menuetto (Allegretto), met een delicaat trio, is betrekkelijk simpel en traditioneel van aard. Opmerkelijk is – net als in het voorafgaande – de prominente rol die is toebedeeld aan de cello. Was het kwintet misschien toch voor koning Friedrich Wilhelm bedoeld? In de Finale (Allegro) slaagt Mozart erin om in een rondostructuur sonate-elementen, fugato’s en perpetuum mobile-frasen in elkaar te vervlechten. Echt top!

Strijkkwintet in C, KV 515

Het montere thema van het Allegro van het strijkkwintet in C KV 515 wordt in samenspraak tussen een in het zwerk zwierende viool en een uit de diepte opklimmende cello geëxposeerd. De rollen worden in de tweede strofe omgekeerd. Nu zingt de cello en klimt de viool. Het prettige bij Mozart is dat de hele expositie tweemaal beluisterd kan worden. Ook in het zeer uitvoerige vervolg is het stuivertje-wisselen regelmatig te horen. Als in een dubbelconcert beheerst de dialoog tussen eerste viool en eerste altviool het Andante. Zou ook een aria van twee zusjes, de een sopraan, de ander alt, kunnen zijn. Waar ze het over hebben weten we natuurlijk niet, maar zo te horen zijn de dames het roerend met elkaar eens. Het derde deel is een braaf, maar niet bijster opmerkelijk Menuetto (Allegretto). Meer te beleven valt aan het vriendelijke trio. Het sprankelende slotdeel, Allegro – in rondovorm – verenigt contrapuntische hoogstandjes met gracieuze élégance.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting april 2016