Programmatoelichting december 2015

Kerstconcert

Johann Sebastian Bach (1685-1750) – Chaconne (voor gitaar-solo)

De muziek van Johann Sebastian Bach is een geliefd doelwit van arrangeurs. Dat pleit voor de universaliteit van Bachs muziek. De bekende Chaconne uit de 2e Partita voor soloviool is er een eminent voorbeeld van. In de muziekverzameling van ondergetekende komt het stuk maar liefst in vijf gedaantes voor. Misschien wel de bekendste bewerking is die voor piano-solo van Ferruccio Busoni. Bij deze gelegenheid wordt deze in de barok populaire langzame dans op een basso ostinato uitgevoerd op gitaar.

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – Ave verum corpus (voor klarinet en gitaar)

Wolfgang Amadeus Mozart componeerde het ‘Ave verum corpus’ voor een vriend in 1791, slechts zes maanden voor zijn overlijden. De muziek was bestemd voor de viering van het Sacramentsfeest. De tekst van het motet dat de toehoorder bij deze uitvoering erbij kan denken luidt als volgt:

‘Gegroet waarachtig lichaam, geboren uit de Maagd Maria, dat werkelijk heeft geleden en voor de mens geofferd is aan het kruis. Uit wiens doorboorde zijde water met bloed vloeide. Wees voor ons een voorsmaak tijdens de beproeving van de dood. O Jezus zoet, O Jezus getrouw, O Jezus, Zoon van Maria.’

Nicolò Paganini (1782-1840) – Sonata concertata in A voor gitaar en viool

Geboren als zoon van een eenvoudige winkelier in Genua werd alras ontdekt dat het jongetje Paganini over bijzondere gaven beschikte. Overal deed hij het uitzinnige publiek versteld staan van zijn kunsten. “Hij heeft een pakt met de duivel gesloten”, zeiden de mensen. “Kijk naar zijn satanische uiterlijk. Zo mager als de dood van Pierlala! Dat is toch het zuiverste bewijs van zijn relatie met de onderwereld.”

Aan de lessen van zijn vader dankte Nicolò zijn levenslange belangstelling voor tokkelinstrumenten, vooral de gitaar. Er gaat een verhaal (een van de talloze anekdotes rondom deze legendarische figuur) dat zijn gitaarbegeleider Luigi Legnani (1790-1877) klaagde dat de vioolpartij altijd de show stal. “O.k.”, moet de componist gereageerd hebben. “Ik schrijf een stuk waarin jij de vioolpartij speelt, dan neem ik de ondankbare gitaarpartij voor mijn rekening.” Legnani, die ook een bekwaam violist was, ontdekte spoedig dat hij geweldig in de maling was genomen. In de nieuwe compositie was al het bravourewerk in de gitaarpartij gestopt!

Bij de Sonata concertata uit 1804 is de rolverdeling overigens redelijk evenwichtig. In dialoog concerteren de beide solisten naar hartenlust. De structuur is klassiek: twee energieke snelle delen (Allegro spirituoso en Rondeau, allegretto con brio, scherzando) en een gevoelig langzaam middendeel (Adagio, assai espressivo).

Érik Satie (1866-1925) – Gymnopédie nr. 1

De excentrieke Franse componist Érik Satie was wars van de romantiek van Richard Wagner c.s. Toch ademen de melancholieke melodielijnen van de eerste Gymnopédie uit 1890 nog geheel de romantische sfeer van de muziek van Gabriël Fauré.

Béla Bartók (1881-1945) – Roemeense Volksdansen (voor klarinet en gitaar)

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog ontstond in Hongarije een akelige antistemming tegen de Roemeense minderheden. De etnoloog Béla Bartók, wars van dit soort raciale sentimenten, wijdde juist daarom in 1915 een hele reeks werken aan de Roemeense folklore. De zesdelige cyclus Roemeense Volkdansen, aanvankelijk voor piano-solo gecomponeerd, verwierf vooral in de orkestversie uit 1917 en de bewerking voor viool (klarinet) en piano (gitaar) van de violist Zoltàn Szèkely grote populariteit. Eigenlijk gaat het om zeven dansen, want het zesde en laatste deel bevat twee snelle dansen. Bartók vereenvoudigde de ritmische onregelmatigheden van de oorspronkelijk in de jaren 1910-1912 geregistreerde melodieën. Daartegenover verrijkte hij de harmonische structuur.

De eerste dans, Joc Cu Bâtă (Dans op stelten), is een trotse mannendans in gedragen tempo, waarbij de benen van de danser haast tot aan het plafond reiken. De tweede dans, Brâul (Dans met sjerp), door de klarinet gespeeld, komt uit de spinnerij en is dus voor jonge vrouwen bedoeld. In Pe Loc (Op één plaats) fluit een piccolo een huiveringwekkende melodie boven een zacht dreunend gestommel op één plaats. In de ingetogen hoorndans, Buciumeana, neemt de soloviool het voortouw, later gevolgd door de andere orkeststemmen. Beduidend temperamentvoller zijn de laatste drie dansen, Poargă Românescâ, een bekoorlijke Roemeense polka voor kinderen, en Măruntel 1 en 2. Deze onstuimige dansen volgen elkaar, praktisch zonder onderbreking, vliegensvlug op.

 

Ernest Bloch (1880-1959) – Prayer (voor klarinet en gitaar)

De Zwitserse componist Ernest Bloch gaf bij het verschijnen in 1924 van de driedelige suite ‘From Jewish Life’ de volgende toelichting. “Het is de joodse ziel die mijn belangstelling heeft, de complexe, gloeiende, geagiteerde ziel, die ik door en door in de bijbel voel vibreren; zo ben ik, en het is de betere kant van mijn leven.” In Blochs emotionele muziek is het onwrikbare vertrouwen in de almacht van God – de kommer en kwel van het Joodse volk ten spijt – steeds voelbaar. In Prayer smeekt de componist deemoedig om steun van Jaweh. De cellopartij wordt vertolkt door de klarinet en de pianopartij door de gitaar.

En verder…

speelt het trio ‘Festival Casals’ traditionele klezmer-stukken, tangomuziek van Piazzola, een potpourri van Beatle melodies en tot slot van dit stemmige kerstconcert een compositie van de naamgever van het ensemble, de befaamde gitarist Pablo Casals: ‘Le chant des oiseaux’.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

 

 

adminProgrammatoelichting december 2015