Programmatoelichting februari 2016

Love is in the air

Sergei Prokofiev (1881-1953) – Vijf scènes uit ‘Romeo en Julia’

In 1936 verraste Sergei Prokofiev het Sovjetpubliek met een ballet, gebaseerd op het beroemde liefdesverhaal van Romeo en Julia van Shakespeare. Nu eens geen gekners en geknars van dissonante tonen, maar een aaneenrijging van fraaie, goed in het gehoor liggende melodieën. Daar hadden Stalin c.s. wel oren naar. U hoort achtereenvolgens de volgende vijf scènes in bewerkingen voor altviool en piano van Vadim Borisovsky:

Introductie: de opening van het ballet, samengesteld uit melodieën die een associatie hebben met de twee Veronese geliefden. Het morgenlicht valt over het marktplein.
Ochtendserenade: Julia moet van de haar familie tegen haar wil in trouwen met Paris. Tezamen met zijn kornuiten komt hij in de derde akte de ‘aanstaande’ bruid een ochtendserenade brengen.
Julia als jong meisje: Julia wordt in deze scène uit de eerste akte voorgesteld als een dartel meisje, dat zich nog niet bewust is van de narigheid die haar later als volwassen vrouw te wachten staat.

Dans met de mandolines: een soort rag time, in de oorspronkelijk orkestratie gespeeld door mandolines, koperblazers, later aangevuld met klarinet en lage strijkers. Een typisch muziekje à la Prokofiev, schijnbaar simpel en naïef, maar harmonisch o zo geraffineerd.

De dood van Julia: Nu Romeo een gifdrank heeft ingenomen, doorsteekt  Julia zich met de dolk van Romeo. Arm in arm liggen zij op de baar, terwijl in diepe smart de families Montagues en Capulets de levenloze geliefden benaderen. Het doek valt.

Robert Schumann (1810-1856) – Pianokwartet in Es, opus 47

In 1842 componeerde Schumann zijn belangrijkste kamermuziek. Drie strijkkwartetten, één pianokwintet en kort daarna, ‘in weerwil van vreselijke slapeloze nachten’, het pianokwartet in Es. Na de compositie van pianowerken en liederen meende de componist voldoende ervaring te hebben vergaard om zijn talenten aan de kamermuziek te wagen. Binnen vijf weken stond het pianokwartet op papier. Een illuster gezelschap hield op 8 december 1844 het opus in het openbaar ten doop. Clara Schumann speelde de pianopartij, Ferdinand David was de violist, Niels Gade altviolist en graaf Mathieu Wielhorsky bespeelde de cello. Aan laatstgenoemde werd het werk opgedragen.

In het Sostenuto assai presenteren de strijkers heel traag het hoofdmotief van het eerste deel. Na de geheimzinnige inleiding pakt de piano het motief een stuk energieker op. Het kwartet ontwikkelt vervolgens het hoofdthema tot een juichend Allegro ma non troppo, waarin, zoals zo dikwijls in de muziek van Schumann, het stoere mannelijke (Florestan) en het zachtaardige vrouwelijke (Eusebio) elkaar becommentariëren. Het streberische neventhema is herkenbaar aan de voortdurend elkaar achtervolgende loopjes. Om de luisteraar eraan te herinneren dat het muzikale materiaal al in de langzame inleiding besloten was, herhaalt Schumann het Sostenuto assai. In de doorvoering stijgt de emotie naar steeds grotere hoogte. In de reprise jubelt het hoofdthema en draven de spelers in achtste nootjes elkaar achterna. Een verstilde passage leidt de slotcoda in. Het jachtige Scherzo: Molto vivace bevat twee trio’s. Een zangerige Andante cantabile, met een grote rol voor de cello, gaat vooraf aan de Finale (Vivace) in sonatevorm met drie thema’s. Het kordate hoofdthema heeft fugatische trekjes. De cello introduceert het lyrische neventhema. Het derde thema duikt op in de piano. De doorwerking steunt voornamelijk op het kordate hoofdthema. De reprise voert naar een briljante slotcoda.

Johannes Brahms (1833-1897) – Pianokwartet nr 1 in g, opus 25

“Ich habe mit jedem Takt an Clara (Schumann) gedacht.” Vermoedelijk hebben alle drie de pianokwartetten van Johannes Brahms een programmatische ondergrond, die samenhangt met de liefde van Brahms voor de enkele jaren tevoren weduwe geworden Clara Schumann. Al in 1855 schijnt de componist zich in Düsseldorf met het componeren van pianokwartetten bezig te hebben gehouden. En juist in die tijd ondersteunde hij intensief het gezin Schumann, dat zulke moeilijke tijden doormaakte.

Het hoofdthema van het Allegro neemt maar liefst vijftig maten de tijd om geheel tot ontplooiing te komen. Eigenlijk kun je bij deze haast symfonische muziek niet meer spreken van één thema. Het begrip themagroep is misschien een betere aanduiding voor de reeks samenhangende motieven die voortvloeien uit het door de piano voorgedragen kerngegeven. Schönberg noemde deze wijze van muziekschrijven ‘Das Prinzip der entwickelenden  Variazion’. De thematische nevengroep is eerst te horen in de hoogste regionen van de cello. Daarna gebeurt hetzelfde als met de markante thematische hoofdgroep. Brahms varieert er lustig op los, waardoor het zo lyrisch begonnen materiaal complete metamorfosen ondergaat. Je zou het ritmisch geprononceerde slot van de expositie nog als derde zelfstandig element kunnen aanmerken. Aan het einde van de expositie klinkt het openingsthema als een vermoeide lamentatie. Dan volgt de doorwerking – aanvankelijk vermomd als reprise – met stijgende figuren van herhaalde motieven. De echte reprise zet in met de eerste thematische nevengroep. De overige delen zijn voor de toehoorder minder moeilijk te volgen. Het tedere Intermezzo in f klein wordt met dempers op de strijkers gespeeld. Het is een vriendelijk soort scherzo met een trio in een koloriet dat vooruitloopt op het Hongaars getinte slotdeel. Het langzame deel, Andante con moto, is in een driedelige liedvorm gecomponeerd. De middensectie ontwikkelt zich plots tot een parmantige mars. Dat Brahms zijn componistenleven lang een liefhebber is geweest van volkse thema’s is in dit pianokwartet overduidelijk te horen. Je hoort (en ziet in gedachten) de soldaatjes marcheren. Het vurige slotdeel, Rondo alla zingarese, heeft het pianokwartet van meet af aan populair gemaakt. Gelijk bij de première – met Clara achter de piano – was het Weense publiek – dol op zigeunerorkestjes – razend enthousiast. In 1937 bewerkte Arnold Schönberg dit rondo voor groot symfonieorkest “um endlich einmal alles zu hören, was in der Partitur steht”.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting februari 2016