Programmatoelichting januari 2016

Wolfgang Amadeus Mozart (1756-1791) – Divertimento in Bes, KV 137

De geleerden zijn het er met elkaar nog niet over eens. Heeft Mozart de drie Divertimenti KV 136/138 uit de winter van 1771/2 in hun oorspronkelijke vorm bedoeld als strijkkwartetten of als symfonieën? Volgens Mozart-kenner Alfred Einstein zijn deze ‘Divertimenti’ van Mozart vroege symfonieën, zonder toevoeging van de toentertijd gebruikelijke hobo’s en hoorns. Van meet af aan werden dit soort stukken door Mozart geschreven voor (strijk)orkestbezetting. Want, zo argumenteert Einstein, de slimmerik nam (bijvoorbeeld) op reis naar Milaan een voorraadje driedelige divertimenti in de stijl van de Italiaanse ‘Sinfonia’ mee voor eventueel. Mocht er onvoorzien om een of twee nieuwe symfonieën worden gevraagd, dan hoefde hij de voorbereiding van een groot werk als de opera ‘Lucia Silla’ niet te onderbreken. Want vader en zoon Mozart zouden nooit ‘nee’ willen verkopen op zo’n lucratieve reis! Desgewenst konden die paar noten voor blazers in een handomdraai aan de partituur worden toegevoegd.

Hoe het ook zij, tegenwoordig worden de drie Divertimenti KV 136/138 bijna uitsluitend, zoals ook vanavond, in een zetting voor strijkorkest gespeeld. KV 137 opent met een wat plechtstatig Andante. Mozart zet er in het sprankelende Allegro di molto flink de vaart in.  De wedren wordt af en toe onderbroken voor een rustiger passage waarin de spelers even op adem kunnen komen. De humoristische finale, Allegro assai, is een afwisseling van het spelletje tikkertje en een gracieus danserijtje.

Franz Schubert (1797-1828) – ‘Arpeggione sonate’ in a, D 821 (versie voor altviool en strijkorkest)

Begin jaren 20 van de 19e eeuw ontwierp de Weense instrumentenbouwer Johann Georg Staufer een gitaarvormig curiosum, dat was uitgerust met zes snaren op een ronde boog, die moesten worden aangestreken op de wijze van de cello. Deze hybride van een gitaar en een cello werd (beperkt) bekend onder verschillende namen: in Frankrijk ‘Guitare d’amour’, in Italië ‘Chitarra col arco’ en in Duitsland ‘Guitarre-violoncelle’. De protagonist van het instrument was Vincenz Schuster, een vriend van Franz Schubert. Deze Schuster moet Schubert hebben bewogen voor dit wonderlijke instrument een sonate te componeren. Schubert gaf het werk de naam ‘Arpeggione sonate’, waarschijnlijk vanwege het vermogen om op het instrument de tonen van akkoorden snel achter elkaar te spelen. Net zoals dat bij een harp kan, vandaar de naam. Het instrument is om die reden ook onder de naam ‘arpeggione’ de vergetelheid ingegaan. Volgens de autograaf kwam de sonate in november 1824 gereed. Er verschenen meerdere versies voor alternatieve instrumentaties. Eigenlijk benadert de altviool de nasale klank van de arpeggione het dichtst. Vandaar dat deze sonate tegenwoordig vaak ook op dat instrument wordt gespeeld.

Het eerste deel, Allegro moderato, is heerlijk melancholisch van temperament. In het ingetogen hoofdthema is Schubert in conversatie met en verlangend naar (waarschijnlijk) zijn moeder. Het tegenthema is wat vlotter en iets opgeruimder van stemming. Vooral het slot van het deel, na de reprise, is ongewoon intiem. Het zangerige Adagio met zijn uitgesponnen melodielijn is één brok lyriek. Het is een soort ‘Lied ohne Worte’, waarin Schubert zijn niet geringe kunde op het gebied van moduleren toont.  Haast ongemerkt gaat het lied over in het slotrondo, Allegretto. De muziek is meeslepend romantisch. De solisten ‘arpeggionen’ er lustig op los. Wanneer het rondothema na de nodige zijstapjes plots weer opduikt, is dat een waar feest der herkenning. De melancholische melodie uit het eerste deel klinkt tot besluit.

Edward Elgar (1857-1934) – Serenade voor Strijkers in e, opus 20

Misschien was Edward Elgar een onbeduidende, provinciale componist gebleven als hij niet in 1889 was getrouwd met Alice Roberts, een dochter van een majoor-generaal. Alice, bijna tien jaar ouder dan Edward, had flink wat in haar mars. Al was ze niet moeders mooiste en al behoorlijk op leeftijd (39), ze was voor haar eenvoudige pianoleraar, zoon van een Worcester  muziekwinkelier/pianostemmer/organist, een aantrekkelijke partij. Ze had al een roman op haar naam staan, sprak goed Duits, dichtte, zong graag en…. wat vooral belangrijk was, ze stimuleerde de jonge musicus zijn onmiskenbare talenten niet langer te verkwanselen met het componeren van populaire salonmuziekjes zoals ‘Salut d’amour’, maar te wijden aan belangwekkende orkeststukken en koorwerken.

Uit de berg stukken en stukjes die Elgar voorheen had neergepend, werden in 1892 drie opmerkelijke werkjes voor strijkers opgeduikeld, die, met hulp van Alice, werden omgetoverd tot de intieme driedelige ‘Serenade for String Orchestra in e’. Op de partituur van de versie voor twee piano’s van hetzelfde opus 20 bevestigt Elgar haar medewerking door te vermelden:  “Braut (haar Duitse troetelnaam) helped a great deal to make these little tunes”. De serenade opent met een Allegro piacevole, vol onschuldige kwetsbaarheid en warme affectie. Misschien ooit gecomponeerd ten tijde van een van zijn eerdere, mislukte liefdes? Het zangerige Larghetto verraadt de invloed van Wagner. Met name diens ‘Siegfried Idylle’ klinkt in de tedere tonen door. Toch is de muziek onmiskenbaar Elgarian British, getuige het laatste deeltje, Allegretto, gelijk een lieflijk tochtje over de smalle heuvelachtige weggetjes van Worcestershire.

Antonín Dvořák (1841-1904) – Walsen nrs. 1 en 4, opus 54

Bij gelegenheid van een jubileumbal van een of andere patriottistische club componeerde Antonín Dvorák in 1879/80 op verzoek acht walsen voor de piano. Echt erop dansen konden de gasten niet, zo bleek. Daarvoor waren de composities te gestileerd. Never mind! De muziek werd grif verkocht. Van de eerste wals in A (Moderato) en de vierde wals in Des (Allegro vivace) maakte de componist later een versie voor strijkkwartet.

 Leoš Janáček (1854-1928) – Suite voor strijkers

De Moravische componist Leoš Janáček was zeer bevriend met Dvořák en deelde met de Bohemer de interesse in de volksmuziek. Samen ondernamen ze lange wandeltochten en noteerden in afgelegen streken uit de mond van boeren en boerinnen volksliederen. Twee composities, kort na elkaar in 1877/8 in een traditioneel 19e-eeuws idioom gecomponeerd, zijn de weerslag van deze etnologische padvinderij: de ‘Suite voor strijkers’ en de ‘Idylle voor strijkers’. Het neoklassieke karakter van de Suite blijkt uit de oorspronkelijke aanduiding van de zes delen: Prelude, Allemande, Sarabande, Scherzo, Air en Finale. Later verving de componist de titels voor meer tempo-achtige benamingen. De Suite opent met een plechtig Moderato in de typisch gepuncteerde Franse stijl. Het Adagio is een innige, geromantiseerde allemande, het Andante con moto een sierlijke sarabande. Het Scherzo heet nu Presto. Muziek en tempo van hetzelfde laken een pak, met een elegant trio in het midden. Het vijfde deel, Adagio, is doordrenkt van Slavische melancholie. De uitsmijter van de suite is geen spektakelstuk. Nee, Janáček rondt zijn Suite af met een Andante in de voorname stijl van het openingsdeel.

Han van Tulder (www.hanvantulder.nl)

adminProgrammatoelichting januari 2016